Blogs

Een opfokovereenkomst: wie heeft aanspraak op de fosfaatrechten?

14/05/20 Bekijk reacties Verwachte leestijd: 4 minuten

In een recente uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch stonden wederom fosfaatrechten centraal. Dit keer maakte een veehouder aanspraak op de fosfaatrechten die de opfokker van zijn jongvee ontving. De opfokker was het daar niet mee eens. Wat besliste de rechter?

De feiten

Partijen in deze zaak waren de eigenaar van een melkveebedrijf en de eigenaar van een opfokbedrijf van jong melkrundvee. Zij spraken af dat het opfokbedrijf het jongvee van het melkveebedrijf met ingang van juni 2014 in het opfokbedrijf zou voeren, verzorgen en opfokken. Aldus geschiedde. Tijdens de looptijd van deze overeenkomst hield de opfokker steeds rond 250 dieren voor het melkveebedrijf. De overeenkomst werd in mei 2017 beëindigd.

Vervolgens werd in januari 2018 het stelsel van fosfaatrechten ingevoerd. Het aantal fosfaatrechten werd daarbij gebaseerd op het aantal dieren dat op 2 juli 2015 werd gehouden. Omdat de rechten werden toegekend aan degene die op 2 juli 2015 bij de RVO als houder van het vee stond geregistreerd, werden de fosfaatrechten voor het jongvee in deze zaak toegekend aan de opfokker. Hij kreeg voor 259 stuks jongvee 2.326 kg aan fosfaatrechten, ter waarde van ongeveer 750 duizend euro.

De melkveehouder was echter van mening dat hij als eigenaar van het jongvee recht had op de fosfaatrechten, of in ieder geval op de helft daarvan. Daarom vorderde hij een schadevergoeding ter hoogte van de waarde van de fosfaatrechten, althans de helft daarvan. De opfokker was het daar niet mee eens, waarna de melkveehouder naar de rechter stapte. Bij de rechtbank werd zijn vordering afgewezen, waarna hij bij het hof in hoger beroep ging.

De uitspraak

Het Gerechtshof in Den Bosch heeft onlangs, op 28 april 2020, uitspraak gedaan in deze zaak. Daarbij stelde ook het hof de opfokker in het gelijk. Het zocht daarvoor aansluiting bij de wetsgeschiedenis. In de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel over de introductie van het stelsel van fosfaatrechten heeft de wetgever namelijk expliciet aandacht besteed aan het begrip ‘houderschap’.

In die Memorie van Toelichting schreef de wetgever namelijk dat voor wat betreft het begrip ‘houden van dieren’ het gaat om feitelijk houderschap:

‘Het is van ondergeschikt belang of de houder ook de eigenaar van de dieren is.’

Volgens het hof was dit niet alleen een bewuste, maar ook een logische keuze, aangezien het fosfaat ook bij de houder wordt geproduceerd.

Vervolgens overwoog het hof dat:

  • De veehouder voordeel had gehad bij de opfokovereenkomst, aangezien hij door deze overeenkomst meer melk producerend vee op het eigen bedrijf had kunnen houden.
  • De situatie onder de opfokovereenkomst niet te vergelijken is met een situatie onder een in- en uitscharingsovereenkomst, aangezien die laatste situatie het vee een deel van het jaar door de één en de rest van het jaar door de ander wordt gehouden, waardoor beide houders ook een deel van de fosfaatrechten nodig hebben.
  • De situatie onder de opfokovereenkomst ook niet te vergelijken is met de situatie onder een pachtovereenkomst, aangezien bij een pachtovereenkomst meestal geen vee voor een ander wordt gehouden.

Door te stellen dat de fosfaatrechten (gedeeltelijk) aan hem toekomen miskende de veehouder volgens het hof dat de wetgever een andere keuze heeft gemaakt én dat de fosfaatproductie feitelijk bij de opfokker plaatsvond. Daarom werd de vordering van de veehouder afgewezen en bekrachtigde het hof het vonnis van de rechtbank.

Vragen?

Heeft u hier een vraag over? Of een andere vraag over fosfaatrechten? Onze experts hebben het antwoord. Neem dus gerust vrijblijvend contact met ons op.

Plaats zelf een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Terug naar alle blogs