Blogs

Speelt mogelijke schade aan een woning een rol in een bestemmingsplanprocedure?

31/05/18 Bekijk reacties Verwachte leestijd: 6 minuten

Vernieuwen en vervangen van een gasleiding

De raad van de gemeente Hoogezand-Sappemeer heeft het bestemmingsplan Leiding Gasunie Hoogezand en omgeving vastgesteld. Daardoor kunnen drie delen van de regionale gasleiding tussen Winschoten en Groningen worden vernieuwd en worden verplaatst. Een omwonende kan zich daar niet in vinden. Hij meent dat aan zijn reeds beschadigde woning verdere schade zal optreden als gevolg van de werkzaamheden. De afstand van zijn woning tot de leiding is op de verbeelding van het bestemmingsplan 25 meter.

Aanwezige en toekomstige schade

Volgens de omwonende is zijn woning beschadigd door aardbevingsschade, waarvoor de Nederlandse Aardolie Maatschappij aansprakelijk is. Hij zal een procedure tegen de Nederlandse Aardolie Maatschappij starten. Het toestaan van werkzaamheden door dit bestemmingsplan waardoor de schade aan zijn woning zal toenemen, leidt ertoe dat onvoldoende rekening is gehouden met zijn belangen. Hierdoor is geen sprake van een goede ruimtelijke ordening als bedoeld in artikel 3.1 Wro. Ter onderbouwing van zijn schade, is een Rapport van Expertise opgesteld door Hofstee Expertise op 7 augustus 2017. Het Rapport toont aan dat de woning in slechte staat verkeert, en dat de aanleg van de leiding invloed zal hebben op de staat van die woning. De raad heeft niet aangetoond dat de werkzaamheden voor de aanleg niet tot schade zullen lijden. De raad heeft ook niet gewaarborgd in het plan dat schade wordt voorkomen volgens de appellant.

Goede ruimtelijke ordening

De raad wijst ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening bestemmingen aan in een bestemmingsplan, en neemt daarin met het oog op die bestemmingen, regels op.

Beleidsruimte

Bij de belangenafweging die hierbij door de raad wordt gemaakt, heeft de raad beleidsruimte. De term beleidsruimte is in bestemmingsplanprocedures voor het eerst in de uitspraak van 30 november 2016 door de Afdeling gebruikt. Daarin overweegt de Afdeling dat de raad beleidsvrijheid heeft bij het aanwijzen van bestemmingen en bij het geven van regels die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. In die uitspraak stelt de Afdeling verder dat de raad bij de keuze van de bestemming een afweging moet maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het plan, waarbij de raad beleidsruimte heeft. De Afdeling stelt in het Jaarverslag 2017 dat de term beleidsvrijheid niet meer wordt gebruikt, omdat dit verwarring kan scheppen. De term beleidsruimte heeft volgens de Afdeling dezelfde betekenis als de term beleidsvrijheid.

Monitoring bij de aanleg

De Afdeling bevestigt in de uitspraak over het beroep van de appellant van 30 mei 2018, dat het risico op het ontstaan van verdere schade voldoende is onderkend door de raad. De raad en de Gasunie stellen dat tijdens de aanlegwerkzaamheden monitoring plaatsvindt, en dat deze monitoring tot vier weken na het einde van de werkzaamheden voldoende is om eventueel maatregelen te treffen als sprake is van onvoorziene wijzigingen in de grondwaterstanden. De te treffen maatregelen en monitoring vanwege de aanlegwerkzaamheden, hebben geen betrekking op het plan zelf, maar op de uitvoering ervan. Dit betekent dat de raad die maatregelen niet in het plan zelf hoefde op te nemen. Ook het risico op verdere schade acht de Afdeling niet zodanig groot dat de raad doorslaggevend gewicht had moeten toekennen bij de gemaakte belangenafweging.

Borging maatregelen

Uit oudere uitspraken van de Afdeling, waaronder die van 7 augustus 2002, volgt dat compenserende maatregelen ter voorkoming van schade, ertoe kunnen leiden dat het bestemmingsplan daarmee uitvoerbaar is. Dan vindt de Afdeling dat in voldoende mate rekening is gehouden met de belangen van degenen die stellen dat sprake is van een risico op schade aan hun woning.

Schadevergoeding

Ook de mogelijkheid op een eventuele vergoeding van de te lijden schade, leidt ertoe dat de Afdeling vindt dat voldoende rekening is gehouden met dergelijke belangen. Zo blijkt uit de uitspraak van de Afdeling van 15 februari 2012 over het Tracébesluit Sporen in Den Bosch.

Financieel onuitvoerbaar door de schade

Alleen als bij de vaststelling van het plan al duidelijk is dat de uitvoering daarvan tot zoveel schade leidt dat het plan financieel niet uitvoerbaar is, dan kan de Afdeling oordelen dat het plan in strijd is met artikel 3.1 Wro. In de uitspraak van 23 april 2014 gaat de Afdeling in op deze omstandigheid en stelt dat die zich niet voordoet. Voor een appellant als omwonende is het heel moeilijk om aan te tonen dat het plan financieel onuitvoerbaar is. Dit is eerder besproken in de blog over het bestemmingsplan Kazerneterrein te Venlo.

Conclusie

Het risico op (verdere) schade als gevolg van een bestemmingsplan lijkt alleen een rol van betekenis te hebben als het plan daardoor financieel niet uitvoerbaar is. Uit andere uitspraken van de Afdeling volgt dat van een financieel onuitvoerbaar plan, gelet op eventuele schadevergoedingen, niet snel sprake is. De te lijden schade zal de appellant moeten verhalen op een andere wijze, en speelt in deze uitspraak geen rol.

Plaats zelf een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Terug naar alle blogs