Blogs

Hippisch recht: Kijk ook eens naar uitspraken over honden

16/09/19 Bekijk reacties Verwachte leestijd: 16 minuten
Door: Anna van der Burg, stagiaire

Net als bij paarden gaat er bij de aankoop of behandeling van honden wel eens iets verkeerd. Een hond krijgt een ziekte waarvan de verkoper nou juist zei dat hij die ziekte niet zou krijgen, een pup blijkt andere ouders te hebben, en heeft de dierenarts de hond nou mishandeld? In dit artikel vindt u een overzicht van uitspraken die ook voor hippisch recht van belang kunnen zijn aangezien er in veel van de zaken dezelfde vragen spelen als bij de aankoop van paarden.

Hond Jip krijgt levershunt

Hof Amsterdam, 7 februari 2012, ECLI:NL:GHAMS:2012:BV8924.
Geïntimeerde kocht van appellant een hond (genaamd Jip) van het ras Biewer Yorkshire terriër à la Pom Pon. Na aankoopt blijkt dat Jip lijdt aan levershunt. Op de website van verkoper heeft koper de volgende tekst gelezen: “All our Biewer Yorkshire terriër à la Pom Pon, carriers and new born puppies are tested and free of livershunt!”. De koper vordert schadevergoeding op grond van art. 6:74 lid 1 BW.

Volgens koper heeft verkoper hiermee gegarandeerd dat Jip vrij zou zijn van levershunt. In de tekst wordt het woord “garantie” niet gebruikt.  De tekst verwijst wel mede naar een test. Deskundige geeft aan dat ammoniak testen de enige goede manier is om aanwezigheid van levershunt te testen, maar dat de test nooit 100% garantie kan geven. Koper heeft dit standpunt ook ingenomen.

Daarom mocht koper niet aannemen dat de tekst op de website meer betekende dan dat de verkoper door middel van een goede test had laten onderzoeken of er aanwijzingen waren dat Jip aan Levershunt leed en dat deze aanwijzingen er niet waren. De tekst betekende dus niet dat als de hond na aankoop toch levershunt kreeg, deze tekortkoming krachtens rechtshandeling aan de verkoper zou worden toegerekend (art. 6:75 BW). De vordering tot schadevergoeding wordt afgewezen.

Is heupdysplasie een tekortkoming in de nakoming?

HR 9 januari 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2541.
Koper van een hond vordert schadevergoeding wegens tekortkoming in de nakoming. Op deze vordering zijn artt. 6:74 lid 1 en 75 BW van toepassing. De hond blijkt enige maanden na aankoop heupdysplasie te hebben. Dit is een erfelijke aandoening. Enige maanden na aankoop heeft de koper de hond laten opereren wegens deze afwijking.

De Rechtbank oordeelt dat dit een tekortkoming in de nakoming is. De heupdysplasie beperkt de hond in normale bewegingsvrijheid, want de hond kan niet vrij rennen en spelen met andere honden. Daarom bezit de hond niet de eigenschappen voor normaal gebruik. Koper mocht, mede gelet op de stamboom van de hond waaruit geen aanwijzingen voor de aanwezigheid van heupdysplasie zijn af te leiden, er van uitgaan dat de hond zich wel op een normale manier kon bewegen. Mede uit het feit dat de hond kort na aankoop al kreupelheidsklachten vertoonde, volgt dat de hond ten tijden van aflevering niet geschikt was voor normaal gebruik. Daardoor is verkoper tekort geschoten in de nakoming van de overeenkomst. Dit is in cassatie niet bestreden.

Voor schadevergoeding moet ook gekeken worden naar de toerekenbaarheid van de tekortkoming (artikel 6:75 BW). Dit heeft de Rechtbank niet gedaan. Daarom wordt het vonnis van de Rechtbank vernietigd en het geding verwezen naar het Gerechtshof voor verdere behandeling en beslissing.

Pup Chico overlijdt aan parvovirus

Ktr. ’s-Hertogenbosch, 22 maart 2012, ECLI:NL:RBSHE:2012:BW0410.
Eiseres koopt op 15 juni 2011 een chihuahua-pup (genaamd Chico) van gedaagde. Verkoper heeft Chico 10 juni 2011 laten inenten tegen onder meer het parvovirus. Op de derde dag na aankoop werd Chico ziek. Op de vierde en vijfde dag is hij onderzocht door een dierenarts. Op de zesde dag is een parvotest uitgevoerd, deze test was positief. Op de zevende dag na aankoop is Chico overleden. Kantonrechter oordeelt dat geen sprake is van consumentenkoop als bedoeld in art. 7:5 lid 1 BW.
Koper mocht er vanuit gaan dat Chico bij aankoop niet was besmet met parvovirus en daar kort na aankoop niet aan zou overlijden. Verkoper moest dit dus leveren.
Koper moet bewijzen dat Chico bij aankoop al besmet was met het virus en daardoor is overleden. Chico kreeg op de derde dag na aankoop symptomen die aanleiding waren voor de dierenarts om een parvotest uit te voeren. De meeste besmettingen vinden plaats door contact met besmette ontlastingen. Chico is niet in contact geweest met andere honden en alleen buiten geweest tijdens dierenarts bezoek. Gelet op de incubatietijd van 3 (of 4) tot 7 dagen moet het virus zijn opgelopen voor het eerste dierenarts bezoek. Daarom acht de kantonrechter bewezen dat Chico op het moment van koop al besmet was met het parvovirus en daaraan is overleden.
Kantonrechter ontbindt de koopovereenkomst op grond van art. 6:265 BW. Vordering door koper voor vergoeding kosten van dierenarts (artt. 6:74 lid 1 en 75 BW) wordt afgewezen omdat koper de facturen van de dierenarts niet in geding heeft gebracht.

Risico op heupdysplasie

Hof ’s-Hertogenbosch, 25 november 2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:4959.
Geïntimideerde koopt in maart 2011 een rashond, Duitse herder, van appellante. In de schriftelijke koopovereenkomst staat dat bij dit hondenras onder andere heupdysplasie voorkomt. Binnen het ras geldt een fokregelement, daaruit blijkt dat alleen gefokt mag worden met honden die vrij of licht positief testen voor heupdysplasie. Uit de stamboom van de hond blijkt dat hier aan is voldaan. Begin 2011 wordt door eigen dierenarts en Universiteitskliniek heupdysplasie vastgesteld bij de hond, dierenarts vermeldt de ergste vorm. Koper vordert schadevergoeding voor geleden en nog te lijden schade (artt. 6:74 lid 1 en 75 BW).

Omdat koper bij aankoop is gewaarschuwd over risico op heupdysplasie, levert de heupdysplasie geen non-conformiteit (art. 7:17 lid 1 en 2 BW) op. Daarnaast kan de gestelde tekortkoming de verkoper niet worden toegerekend (artt. 6:74 lid 1 en 75 BW). In de koopovereenkomst staat een bepaling dat de verkoper geen garantie geeft voor geschiktheid als huishond. Doordat verkoper voldaan heeft aan het fokregelement van het ras heeft hij voldaan aan zijn zorgplicht. Een hond is geen industrieel product en uit een door verkoper overlegde publicatie blijkt dat ook uit ouderhonden die volledig vrij zijn van heupdysplasie een pup met (ernstige) heupdysplasie geboren kan worden.
De vorderingen van de koper worden daarom afgewezen.

Teckel Tekk heeft andere ouders

Rb. Midden-Nederland 6 februari 2019, ECLI:NL:RBMNE:2019:393.
Gedaagde fokt teckels en verkoopt in november 2016 een teckel pup (genaamd Tekk) aan eiseres. In de koopovereenkomst staat vermeld dat Bas en Bella de ouders zijn van Tekk. In 2018 komt koper er door onderzoek van een televisieprogramma achter dat Bas en Bella niet de ouders van Tekk kunnen zijn. Verder heeft Tekk volgens koper vanaf het eerste moment een aantal gedragsproblemen en lichamelijke gebreken. Dit is volgens koper ontstaan door de slechte omstandigheden waarin Tekk bij de verkoper heeft geleefd. Zij baseert dit op het feit dat de politie in juni 2018 een inval heeft gedaan bij de kennel van verkoper, waarbij 150 honden in beslag zijn genomen. Deze honden waren sterk verwaarloosd. Koper vordert terugbetaling van het aankoopbedrag voor Tekk en vergoeding van medische kosten, kosten voor het inschakelen van een gedragstherapeut voor Tekk, immateriële schade en toekomstige schade.

Het gaat hier om een consumentenkoop (art. 7:5 BW). Tekk beantwoordt niet aan de overeenkomst en is dus non-conform zoals bedoeld in art. 7:17 BW. Dit omdat in de koopovereenkomst is vermeld dat Bas en Bella de ouders van Tekk zijn en dit niet het geval is. Verder is onduidelijk wie Tekk heeft gechipt, de naam van de chipper in het paspoort zou niet kloppen, en is de chip niet binnen de daarvoor geldende termijn geregistreerd door verkoper. Koper heeft voldoende gemotiveerd dat het voor haar juist erg belangrijk was dat haar hond gefokt was in een kennel waar voldaan werd aan de regels. Het verweer van verkoper dat koper te laat was met klagen gaat niet op. Bij consumentenkoop moet binnen bekwame tijd na ontdekking van het gebrek worden geklaagd bij de verkoper (art. 7:23 lid 1 BW). Het belangrijkste gebrek van Tekk is dat zijn ouders onbekend zijn, dit is pas ontdekt na onderzoek van het televisieprogramma in 2018. Koper heeft 9 dagen na uitzending van het televisieprogramma geklaagd bij verkoper.

De vordering tot terugbetaling van de aankoopprijs wordt afgewezen. Voor terugbetaling moet de koopovereenkomst worden ontbonden. Dat zou met zich meebrengen dat Tekk terug moet naar de verkoper. Koper wil dit niet omdat zij inmiddels is gehecht aan Tekk en het door de situatie in de kennel van verkoper, waarbij alle honden in beslag zijn genomen, ook niet goed denkbaar is dat Tekk teruggegeven kan worden.
Van de vorderingen tot schadevergoeding (art. 6:74 lid 1 en 75 BW) wordt alleen die met betrekking tot de kosten voor de gedragstherapeut toegewezen. De medische kosten worden afgewezen omdat koper niet duidelijk heeft gemaakt dat deze kosten het gevolg zijn van de tekortkoming van verkoper. Elke hond kan gezondheidsproblemen krijgen waarvoor een dierenarts moet worden geraadpleegd. Immateriële schade wordt afgewezen omdat deze schade op grond van art. 6:95 BW alleen vergoed wordt in gevallen die in de wet zijn genoemd. Er is niet voldaan aan deze voorwaarden uit art. 6:106 BW. De toekomstige schade wordt ook afgewezen, omdat er altijd kosten zijn verbonden aan het houden van een hond en koper niet heeft onderbouwd welke medische kosten en therapieën  er noodzakelijk zijn.

De vordering tot vergoeding van de kosten van de gedragstherapeut wordt dus wel toegewezen. Dit omdat voldoende duidelijk is dat de gedragsproblemen van Tekk te wijten zijn aan de omstandigheden in de kennel tijdens zijn eerste levensweken.

Hond mishandeld tijdens maken van echo?

Rechtbank Midden-Nederland, 22 mei 2019, ECLI:NL:RBMNE:2019:2253.
Gedaagde is eigenaar van een hond. De hond heeft darmklachten. Via een dierenkliniek komt de eigenaar terecht bij de Faculteit om een echo te laten maken. Voordat de echo plaatsvindt tekent de eigenaar een Behandelovereenkomst. Hierin staat onder andere een bepaling over hoe betaling plaats moet vinden. Daarna wordt de hond meegenomen naar de onderzoeksruimte voor de echo. Eigenaar mocht hierbij niet aanwezig zij. Enkele weken na de echo stuurt de Faculteit een factuur naar de eigenaar van de hond. Deze wordt niet betaald. De Faculteit vordert dan ook betaling van deze factuur.

De eigenaar van de hond stelt dat zij de factuur van de Faculteit niet hoeft te betalen. Zij voert hierbij aan dat zij de Behandelingsovereenkomst in paniek heeft getekend. Verder stelt zij dat zij onterecht niet bij de echo aanwezig mocht zijn en dat haar hond is mishandeld tijdens het maken van de echo. De mishandeling maakt zij op uit het feit dat de hond panisch gedrag vertoonde toen hij terugkwam van de echo. De kantonrechter is van oordeel dat eigenaar de factuur in beginsel moet betalen. Dat zij in paniek was tijdens het tekenen van de Behandelingsovereenkomst maakt dat niet anders, want zij had bijvoorbeeld om extra tijd kunnen vragen of op een later moment terug kunnen komen.
Als de Faculteit haar verplichtingen niet goed is nagekomen (wanprestatie), dan zou het kunnen dat de eigenaar niet hoeft te betalen (op grond van art 6:265 BW). Dat de eigenaar niet bij de echo aanwezig mocht zijn levert geen wanprestatie op, al had de communicatie daarover beter gekund. Doordat de eigenaar geen bewijs heeft geleverd voor de mishandeling, is deze niet vast te stellen. De Faculteit heeft dus geen wanprestatie geleverd.  De eigenaar moet de factuur voor de echo betalen.

Wat kost de hond en wanneer is wie eigenaar?

Rechtbank Rotterdam, 21 november 2018, ECLI:NL:RBROT:2018:10292.
Partij 1 fokt honden. Partij 2 heeft in november 2013 aan partij 1 geschreven dat zij interesse heeft in een pup. Zij is toen op de wachtlijst geplaatst en partij 1 heeft aangegeven dat het aankoopbedrag €1.800,- zal zijn. In april 2014 doet partij 1 een voorstel waarbij partij 2 een pup krijgt. Partij 2 hoeft niet voor de pup te betalen, maar zij moet wel toestaan dat de hond tweemaal een nest zou krijgen waarvan partij 1 de pups zou verkopen. Partij 2 gaat hiermee akkoord en de pup wordt op 10 mei 2014 overhandigd aan partij 2.
In januari 2016 moet er een medische test gedaan worden bij de hond om haar vruchtbaarheid te bepalen. Dit levert een conflict op tussen partijen en er wordt besloten om de eerder afgesproken regeling stop te zetten. De hond hoeft geen nesten te krijgen en partij 2 betaalt de normale pupprijs van €1.800,- aan partij 1. Partij 2 heeft dit bedrag ook overgemaakt.
Partij 1 vordert nu betaling van €6.700,-. Dit omdat partij 2 de hond niet heeft laten steriliseren en dan de koopprijs van een fokteef geldt. Ook is partij 2 dat bedrag verschuldigd op grond van onrechtvaardigde verrijking (art 6:212 BW) .
Partij 2 vordert een verklaring voor recht (art. 3:302 BW) dat de hond vanaf 10 mei 2014 eigendom is van partij 2. Daarnaast vordert partij 2 dat partij 1 €1.800,- terugbetaalt omdat deze onverschuldigd (art. 6:203 BW) zou zijn.

Als eerst beoordeelt de rechtbank de vordering van partij 2 met betrekking tot de verklaring van recht over het eigendom. Partij 1 stelt zich op het standpunt dat partij 2 pas eigenaar zou worden nadat de hond twee nesten zou hebben gegeven. Het is niet zeker of partij 1 deze voorwaarde ook expliciet heeft genoemd. Partij 2 mocht er daarom gerechtvaardigd op vertrouwen dat zij al bij levering van de hond eigenaar zijn geworden. De gevorderde verklaring voor recht zal worden toegewezen.
De rechtbank oordeelt dat de betaling van de €1.800,- niet onverschuldigd is. Vast staat dat partij 2 de hond kreeg en partij 1 daarvoor de pups van twee nesten kreeg. Toen de regeling met de nesten is stopgezet is overeengekomen dat partij 2 €1.800,- zou betalen aan partij 1. Dat partij 2 al eigenaar was van de hond op moment van  betaling doet er in dit geval niet toe. De vordering tot terugbetaling wordt afgewezen.
Partij 1 legt aan de vordering tot betaling van €6.700,- onder meer ten grondslag dat partij 2 is tekortgeschoten in haar verplichting om de hond te laten steriliseren. Deze verplichting vloeit enkel voort uit de vermelding van partij 1 dat ‘de normale pupprijs van €1.800,-‘ betaald moest worden. Dit was onvoldoende om er op te vertrouwen dat partij 2 er mee akkoord was dat zij de hond zou laten steriliseren. Er is dan ook geen tekortkoming van partij 2. Er is ook geen sprake van onrechtmatige verrijking. Daarvoor is nodig dat partij 2 is verrijkt en dat is niet het geval. Partij 2 heeft de hond immers aangeschaft als huishond en er is geen aanleiding om aan te nemen dat zij de hond zullen verkopen of dat zij de hond een nest zullen laten krijgen. Het gevorderde bedrag van €6.700,- daarom niet toegewezen.

Herkent u zich in een van deze uitspraken en heeft u advies nodig, of heeft u vragen over hippisch recht (equine law) of honden recht (dog law), neem dan contact op met één van onze specialisten.

Plaats zelf een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Terug naar alle blogs