Shell moet haar CO2-uitstoot verminderen, geldt dit ook voor uw bedrijf, gemeente of provincie?

27/05/21 Bekijk reacties Verwachte leestijd: 12 minuten

CO2 uitstoot

De rechtbank Den Haag heeft bepaald dat Shell op dit moment niet onrechtmatig handelt, maar dat die dreiging wel aanwezig is. Shell moet om die reden in 2030 haar netto-CO2 uitstoot -kort gezegd- met 45% verminderd hebben ten opzichte van 2019. Ook heeft zij een inspanningsverplichting hiertoe voor haar zakelijke relaties inclusief de eindgebruikers. Heeft deze uitspraak ook gevolgen voor bedrijven en publiekrechtelijke rechtspersonen?

Verdrag van Parijs

In de uitspraak van de rechtbank wordt uiteengezet welke afspraken landen en bedrijven hebben gemaakt om de klimaatdoelen te halen. Het verdrag van Parijs speelt een belangrijke rol in de uitspraak. In dat verdrag staat de doelstelling om de opwarming van de aarde te beperken tot ruim onder 2 ℃ en dat moet worden gestreefd naar een beperking van de stijging tot maximaal 1,5 ℃. In het verdrag is afgesproken dat in 2030 een reductie van 45 % van de broeikasgassen gerealiseerd moet zijn ten opzichte van 2010 en in 2050 sprake moet zijn van een volledig CO2-neutrale elektriciteitsproductie (netto 100%).

Klimaatwet en klimaatakkoord

Als gevolg van dit verdrag heeft Nederland onder andere de Klimaatwet vastgesteld. Uit de Klimaatwet volgt dat er een klimaatplan moet worden vastgesteld. Het eerste Klimaatplan is gebaseerd op het klimaatakkoord. Shell is één van de partijen die dit Klimaatakkoord heeft getekend. In de uitspraak lijkt daar overigens minder belang aan te worden gehecht. De onrechtmatige daad waarvan verwacht wordt dat Shell die zal begaan is met name gebaseerd op het Verdrag van Parijs en de CO2-reductie die daarin staat opgenomen. Eerder heeft de Hoge Raad in 2019 al geoordeeld in de Urgenda-zaak dat de Staat eind 2020 een CO2-reductie van tenminste 25% moet behalen ten opzichte van 1990 ECLI:NL:HR:2019:2006, Hoge Raad, 19/00135 (rechtspraak.nl)

Onrechtmatige daad

Een onrechtmatige daad kan zijn oorsprong vinden in drie verschillende redenen.

  1. Er kan sprake zijn van een inbreuk op een recht;
  2. Een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht; en
  3. Handelen in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt.

Dreiging onrechtmatig handelen in strijd ongeschreven zorgvuldigheidsnorm

De rechtbank heeft geoordeeld dat Shell dreigt te gaan handelen met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. Voor de invulling van de ongeschreven zorgvuldigheidsnorm wordt door de rechtbank gebruik gemaakt van de relevante feiten en omstandigheden, de best beschikbare wetenschap over de aanpak van gevaarlijke klimaatverandering en de breed gedragen internationale consensus dat mensenrechten bescherming bieden tegen de gevolgen van gevaarlijke klimaatverandering én dat bedrijven mensenrechten moeten respecteren. Shell dient deze ongeschreven zorgvuldigheidsnorm in acht te nemen ten opzichte van de Nederlandse ingezetenen en de inwoners van het waddengebied. Het onzorgvuldig handelen wordt gemotiveerd door de rechtbank in 14 punten (zie r.o. 4.4.2).

Shell moet uitstoot verminderen

De rechtbank is van oordeel dat Shell de uitstoot eind 2030 dient te verminderen met netto 45% ten opzichte van 2019. Deze reductieverplichting ziet op de hele energieportefeuille van de Shell-groep en op het gezamenlijk volume van alle emissies (Scope 1 t/m3). Dit is een resultaatsverplichting voor Shell. Shell mag echter wel zelf weten hoe zij dit realiseert. Voor de zakelijke relaties van Shell, met inbegrip van de eindgebruikers, geldt dat voor Shell een zwaarwegende inspanningsverplichting door de rechtbank wordt opgelegd waarbij van Shell wordt verwacht dat zij de nodige stappen neemt om de ernstige risico’s als gevolg van de door de zakelijke relaties gegenereerde uitstoot op te heffen of te voorkomen en dat Shell haar invloed aanwendt om eventueel voortdurende gevolgen zo veel mogelijk te voorkomen.

Mensenrechten

De rechtbank overweegt dat bedrijven mensenrechten moeten respecteren op grond van de UNGP en alle bedrijven zich (mondiaal) aan de mensenrechten moeten houden ongeacht waar ze actief zijn. De mensenrechten en de daarin belichaamde waarden voor de samenleving zijn verdisconteerd in de ongeschreven zorgvuldigheidsnorm als geheel en spelen daarmee een rol in de verhouding tussen Milieudefensie c.s. en Shell.[1] Dit staat dus los van de verplichting van staten terzake van mensenrechten. De verplichting voor bedrijven heeft voorrang boven nationale wetgeving ter bescherming van mensenrechten. Bedrijven kunnen dus niet volstaan met het opvolgen van maatregelen die zijn vastgesteld, maar zij hebben een eigen verantwoordelijkheid. De rechtbank overweegt dat bedrijven zich moeten onthouden van inbreuken op mensenrechten van anderen en bedrijven negatieve gevolgen op mensenrechtengebied waarin zij een aandeel hebben, moeten aanpakken. Er moeten door bedrijven maatregelen worden genomen om de  gevolgen te voorkomen, te beperken en waar nodig te verhelpen.

Mensenrechten gelden voor alle bedrijven

De mensenrechten spelen op grond van deze uitspraak dus ook een rol bij andere bedrijven dan Shell. Sterker nog: de rechtbank overweegt dat de verantwoordelijkheid van bedrijven om de mensenrechten te respecteren geldt voor alle bedrijven, ongeacht omvang, sector, operationele context, eigendomsverhoudingen en structuur.

Kanttekening gelding mensenrechten bedrijven

De rechtbank plaats hier wel een kanttekening bij. De schaal en complexiteit waarmee bedrijven die verantwoordelijkheid kunnen verwezenlijken, kunnen variëren naar gelang deze factoren en der ernst van de impact die hun activiteiten op de mensenrechten kunnen hebben. De middelen waarmee een bedrijf invulling geeft aan zijn verantwoordelijkheid om mensenrechten te respecteren dienen evenredig te zijn aan onder meer de omvang van de organisatie. De ernst en de impact op de mensenrechten wordt beoordeeld op basis van de schaal, reikwijdte en mate van omkeerbaarheid ervan. Welke middelen ingezet kunnen worden kan ook afhangen van de vraag of en in welke mate er binnen een groep dan wel autonoom wordt geopereerd. Van Shell kan naar het oordeel van de rechtbank veel worden verwacht.

Naleving bedrijven

De rechtbank stelt -kort gezegd- vast dat elk bedrijf de verplichting heeft om het verdrag van Parijs na te leven en de CO2-reductie te realiseren. Dit ondanks dat dit verdrag niet bindend is voor bedrijven. De reden daarvoor is dat het verdrag de weerslag vormt van een universeel gedragen en geaccepteerde norm. De rechtbank neemt daarbij echter wel in overweging dat niet elk bedrijf onrechtmatig handelt als dit niet aanwijsbaar gebeurt. Van belang in deze kwestie is dat Shell zeer veel uitstoot en dat ze zich hiervan ook bewust is. In 1988 waarschuwde Shell in een intern rapport bijvoorbeeld al voor de klimaatgevaren. Shell maakt elk jaar een rapportage van de uitstoot waardoor zij ook op de hoogte is van haar eigen uitstoot. Het is bovendien van belang dat de uitstoot die Shell veroorzaakt zijn weerslag heeft op het klimaat in Nederland althans gaat hebben in de toekomst. Bij de klimaatverandering gaat het om een toename van hitteperiodes, (infectie)zieken, UV-blootstelling, waterproblematiek en een verslechtering van de luchtkwaliteit. Shell heeft plannen om die uitstoot sterk te verminderen. Opmerkelijk is echter wel dat de CEO van Shell in 2018 in een interne speech nog laat weten dat de core business van Shell olie en gas zal blijven. Desondanks is in september 2019 wel het Klimaatakkoord door Shell getekend en heeft Shell in 2020 in reactie op de Green Deal van de Europese Commissie haar ambities ten aanzien van de energietransitie vastgesteld. Ten aanzien van Shell wordt ook niet vastgesteld dat zij op dit moment onrechtmatig handelt, maar dat van een dreigende schending van de reductieverplichting sprake is.

Doelstelling voor elk bedrijf

In beginsel zal elk bedrijf moeten vastleggen dat de klimaatdoelstellingen nageleefd worden en op welke wijze concreet de netto-reductie van 45% in 2030 wordt behaald en de reductie van 100% in 2050. De bedrijven moeten ook laten zien dat zij als zodanig handelen. Een kanttekening hierbij is dat het vooral bij bedrijven die impact hebben op de uitstoot van belang is dat deze doelstellingen worden vastgelegd en nageleefd. Hiermee kan de klimaatdoelstelling worden gerealiseerd en kan tevens een soortgelijke procedure als bij Shell worden voorkomen.

Naleving en doelstelling voor publiekrechtelijke rechtspersonen

Ook overheden hebben zoals in de Urgenda-zaak al bleek een verplichting om doelstellingen te behalen. Gelet op de Shell-uitspraak zou betoogd kunnen worden dat ook publiekrechtelijke bestuursorganen zoals gemeenten en provincies die verplichting hebben, voorzover dat in hun macht liggen, om ervoor te zorgen dat de netto-reductie van 45% in 2030 wordt behaald en de 100%-reductie in 2050. In het Klimaatakkoord staat opgenomen dat er een Regionale Energie Strategie (RES) is. Deze strategie wordt per regio met gemeentes, provincies en waterschappen opgesteld. Deze RES zal nader bezien moeten worden om na te gaan of deze voldoende concreet de doelstellingen en de wijze waarop die behaald wordt heeft vastgelegd.

Reductie uitstoot in Warmtevisie

Gemeentes dienen daarnaast in 2021 een Warmtevisie vast te stellen (Transitievisie Warmte). In de Warmtevisie zal zo concreet mogelijk vastgelegd moeten worden op welke wijze de 45% reductie in 2030 en de 100% reductie in 2050 behaald wordt of zal tenminste concreet vastgelegd moeten worden op welke wijze de doelen uit de Klimaatwet en het Klimaatakkoord worden behaald waarin staat dat in 2030 een reductie van 49% behaald dient te worden en in 2050 een reductie van 95%.

Conclusie

Bedrijven, maar ook publiekrechtelijke organen moeten zich houden aan het verdrag van Parijs en aan de mensenrechten. Bij bedrijven geldt dat het voor de klimaatproblematiek van belang is hoeveel impact dit bedrijf heeft. Bij een publiekrechtelijke rechtspersoon geldt dat deze rechtspersoon het wel in de macht moet hebben om doelstellingen te formuleren die moeten worden nageleefd. Ten aanzien van Shell betreft het een dreigende onrechtmatige daad, omdat zij niet voldoende concreet kon aantonen dat zij de doelstellingen uit het verdrag van Parijs kon behalen. Shell zal moeten laten zien dat zij en haar zakelijke partners de klimaatdoelstellingen uit het verdrag van Parijs naleeft om in 2030 45% te verminderen en in 2050 naar 0% uitstoot te gaan. Het advies is zowel voor bedrijven als voor publiekrechtelijke rechtspersonen om concreet vast te leggen, voorzover dat mogelijk is, op welke wijze de doelstellingen uit het Verdrag van Parijs cq de Klimaatwet worden behaald.

Er zijn twee uitspraken gewezen: Een uitspraak in het Nederlands en een uitspraak in het Engels

Wilt u meer weten over deze uitspraak of over de energietransitie dan kunt u contact opnemen met één van onze specialisten.

[1] Het betreft in casu de mensenrechten die ook al in de Urgenda-zaak zijn benoemd (artikel 2 en 8 EVRM en artikel 6 en 17 IVBPR). Bij de invulling van de ongeschreven zorgvuldigheidsnorm zoekt de rechtbank aansluiting bij de UN Guiding Principles (UNGP). Dit is een ‘soft law’ instrument, waarin de verantwoordelijkheid van staten en bedrijven ten aanzien van mensenrechten is neergelegd.