Blogs

Wijzigingsvoorwaarde in bestemmingsplan onverbindend?

18/01/18 Bekijk reacties Verwachte leestijd: 5 minuten

Het college van Oegstgeest maakt gebruik van een binnenplanse wijzigingsbevoegdheid om een bestemmingsplan te wijzigen. In het bestemmingsplan (moederplan) zijn wijzigingsvoorwaarden opgenomen, waarbinnen het college het bestemmingsplan kan wijzigen. Deze voorwaarden zijn verplicht volgens artikel 3.6 eerste lid onder a Wro. In de  wijzigingsbevoegdheid moet door objectieve normen (voorwaarden) kunnen worden bepaald in welke gevallen en op welke wijze  van deze bevoegdheid gebruik kan worden gemaakt. De raad delegeert de wijzigingsbevoegdheid in een bestemmingsplan aan het college. Kan het college bij de toepassing van die bevoegdheid de voorwaarden van de wijzigingsbevoegdheid aantasten?

Sport wordt Wonen

In de gemeente Oegstgeest stelt het college van B&W op basis van een wijzigingsbevoegdheid in het moederplan Oranje Nassau, het wijzigingsplan Duivenvoordestraat vast. Door dat wijzigingsplan wordt de bestemming Sport gewijzigd naar de bestemming Wonen, waardoor 50 woningen gerealiseerd kunnen worden. Diverse partijen gaan tegen het vaststellingsbesluit in beroep bij de Afdeling.

Wijzigingsvoorwaarde

Eén van de wijzigingsvoorwaarden is dat minimaal 15% van de toename aan verharding, aan water in het wijzigingsgebied dient te worden gerealiseerd. Aan deze voorwaarde is volgens de appellanten onvoldoende voldaan, omdat rondom het plangebied al sprake is van ernstige wateroverlast.

Onverbindend

Het college stelt dat deze wijzigingsvoorwaarde onverbindend is. Nadat het moederplan is vastgesteld, is namelijk het Hoogheemraadschap in plaats van de gemeente de waterkwantiteitsbeheerder geworden. Het Keur Rijnland 2015 en de Uitvoeringsregel 11 stellen dat bij een toename aan verharding van 500 m2 tot 0,5 ha, de verplichting om water te realiseren gelijk is aan 15 % van de toename aan verharding. Is de toename aan verharding meer dan 0,5 ha, dan is het bepalen door het Hoogheemraadschap van de omvang van de waterberging maatwerk. De wijzigingsvoorwaarde, de anterieure regel, moet volgens het college wijken voor de nadien vastgestelde hogere regeling, het Keur. Omdat zowel de wijzigingsvoorwaarde als het Keur betrekking hebben op het realiseren van voldoende waterberging, is die voorwaarde wat het college betreft onverbindend en dient deze buiten toepassing te worden gelaten.

Exceptieve toetsing

De Afdeling stelt in de uitspraak van 17 januari 2018 dat het in een procedure tegen een vaststellingsbesluit van een wijzigingsplan, is toegestaan om de gelding van een planvoorschrift ter discussie te stellen. Dit is door de Afdeling al eerder bepaald in de procedure over de omgevingsvergunning voor een Lidl-supermarkt in Nijkerk, en in de procedure over de omgevingsvergunning voor de bouw van 73 appartementen in Den Haag.

Evident

De wijzigingsvoorwaarde moet alleen onverbindend worden geacht of buiten toepassing worden gelaten, als deze voorwaarde evident in strijd is met de hogere regeling. Daarvoor is onder andere vereist dat de hogere regeling zodanig concreet is dat deze zich voor toetsing daaraan, bij wijze van uitzondering (exceptie) leent. Dat heeft de Afdeling onder andere bepaald in de zaak over de omgevingsvergunning voor de bouw van een appartementencomplex op Vlieland.

Geen overlapping

In dit geval vindt de Afdeling dat het Keur en de wijzigingsvoorwaarde elkaar niet één op één overlappen. Dit betekent dat er ook geen aanleiding bestaat om de voorwaarde buiten toepassing te laten, omdat deze voorwaarde niet evident in strijd is met een hogere regeling.

Conclusie

Het komt niet vaak voor dat een college de toepassing van een planvoorschrift dat is vastgesteld door de raad, ter discussie stelt bij de uitoefening van een wijzigingsbevoegdheid. Uit de uitspraak van de Afdeling lijkt te volgen dat alleen indien beide regelingen inhoudelijk elkaar volledig overlappen, slechts dan aan buiten toepassing verklaring/onverbindendheid wordt toegekomen. Op het eerste gezicht lijkt dit niet vaak het geval te zijn. Dit neemt niet weg dat het zinvol is om na te gaan of een planvoorschrift en een hogere regeling over hetzelfde onderwerp regels stellen. Zo ja, dan zou de Afdeling de regel(s) onverbindend kunnen verklaren of buiten toepassing laten.

Het leerstuk van de exceptieve toetsing

Staatsraad Advocaat-Generaal Widdershoven heeft op 22 december 2017 een uitvoerige conclusie genomen over onder andere het leerstuk van exceptieve toetsing en de wijze waarop daaraan uitvoering kan worden gegeven en ook de rol van het relativiteitsvereiste daarbij. Daarin is overwogen dat de bestuursrechters een algemeen verbindend voorschrift exceptief dient te toetsen aan zowel materiële als formele algemene rechtsbeginselen en dat de rechter het voorschrift buiten toepassing  moeten laten, of onverbindend moeten achten als het in strijd is met een algemeen rechtsbeginsel.

Plaats zelf een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Terug naar alle blogs