Blogs

Ook concreet zicht op legalisatie toetsen als geen aanvraag aanwezig is

30/04/15 Bekijk reacties Verwachte leestijd: 5 minuten

De Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State heeft op 29 april 2015 een interessante uitspraak gewezen in een zaak waarin het College overging tot handhavend optreden vanwege strijdig gebruik met het bestemmingsplan en het zonder omgevingsvergunning aanpassen van het bouwwerk.

De casus

Het College is in deze zaak overgegaan tot handhavend optreden omdat in een bijgebouw een keuken, sanitaire voorzieningen en een badkamer is aangebracht. Daarnaast werd het bijgebouw in strijd met het bestemmingsplan bewoond.

Tussenuitspraak

De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: “de Afdeling”) heeft in deze zaak eerst een tussenuitspraak gewezen. Uit deze tussenuitspraak blijkt dat er sprake is van een gedoogbrief gedateerd op 20 juni 1988. De Afdeling oordeelt weliswaar dat een dergelijke gedoogbrief gepasseerd kan worden, maar dat dit wel gemotiveerd moet worden. Er moet worden aangetoond dat de belangen bij het doorbreken van de gedoogbrief zwaarder wegen dan de belangen van de wederpartij bij het in stand laten daarvan.

Voorts heeft het College niet deugdelijk gemotiveerd of concreet zicht bestaat op legalisering en of op basis van het overgangsrecht alsnog een omgevingsvergunning kan worden verleend. Het College wordt in de gelegenheid gesteld om de gebreken te herstellen.

Het geschil

Het College heeft na de tussenuitspraak een besluit genomen om de gebreken te herstellen. Het College stelt zich op het standpunt dat zij ten aanzien van de gedoogbrief van mening is dat de dringende noodzaak om het gebouw en de aangebrachte voorzieningen te gedogen niet meer aanwezig is. De dringende noodzaak was er volgens het College in gelegen dat het gebouw en de aangebrachte voorzieningen destijds werden gedoogd wegens de bewoning van het gebouw door de schoonouders van appellant.

Ten aanzien van de vraag of de aangebrachte voorzieningen gelegaliseerd kunnen worden stelt het College zich op het standpunt dat gelet op het overgangsrecht en het bestemmingsplan “Bilthoven Zuid 2009” concreet zicht op legalisering bestaat. Het College is echter van oordeel dat niet van handhavend optreden moet worden afgezien nu geen ontvankelijke aanvraag om omgevingsvergunning is ingediend.

Appellant heeft hier -kort gezegd- tegen ingebracht dat hem altijd is meegedeeld dat voor het gebouw geen omgevingsvergunning kon worden verleend en dat dit de reden is dat hij tot op heden nog geen aanvraag heeft gediend. Ook was het volgens hem niet nodig om een omgevingsvergunning aan te vragen, omdat het gebouw al lange tijd was opgericht en geschikt was gemaakt voor bewoning en er niet meer moest worden getoetst aan de bouwvoorschriften.

Beoordeling Afdeling

De Afdeling overweegt allereerst dat voor de aangebrachte keuken en sanitaire voorzieningen een omgevingsvergunning is vereist. De reden hiervoor is dat deze bouwwerkzaamheden kunnen worden aangemerkt als “gedeeltelijk vernieuwen of veranderen” waardoor de bouwwerkzaamheden niet meer onder het overgangsrecht gebracht kunnen worden. De Afdeling verwijst vervolgens naar een uitspraak van 29 mei 2013 (klik hier voor de uitspraak) waaruit blijkt dat het betreffende bestuursorgaan de vraag of legalisering mogelijk is zelfstandig dient te beantwoorden ook als nog geen concrete daarop gerichte aanvraag is ingediend. Wanneer legalisering van de situatie tot de mogelijkheden behoort, kan niettemin concreet zicht op legalisatie ontbreken; bijvoorbeeld als de overtreder weigerachtig is een aanvraag tot legalisering in te dienen. Naar het oordeel van de Afdeling is in dit geval niet gebleken dat de wederpartij weigerachtig is zijn aanvraag in te dienen voor de omgevingsvergunning. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het College eerder heeft meegedeeld dat het indienen van een aanvraag om een omgevingsvergunning zinloos was.

Het voorgaande betekent dat het College zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat er nu er geen aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend geen grond bestaat om wegens concreet zicht op legalisering van handhavend optreden af te zien.

Het hoger beroep is gegrond. Het besluit dat op grond van de tussenuitspraak is genomen wordt vernietigd wegens strijd met artikel 7:12 Awb. Het College dient een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

Conclusie

De Afdeling heeft in deze uitspraak nogmaals bevestigd dat om concreet zicht op legalisatie aan te nemen het indienen van een concrete aanvraag om een omgevingsvergunning niet is vereist. Dit neemt overigens niet weg dat het wel de voorkeur zal verdienen dat een concrete vergunning is aangevraagd zodat deze vergunning al inhoudelijk beoordeeld is voordat de procedure is afgelopen. Het College kan voor het indienen van een dergelijke aanvraag een termijn stellen.

Klik hier voor de uitspraak.

Mocht u meer willen weten over het onderwerp handhaving dan kunt u contact opnemen met één van onze specialisten.

Plaats zelf een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Terug naar alle blogs