Blogs

Handhaving energiebesparing afdwingen?

14/12/17 Bekijk reacties Verwachte leestijd: 7 minuten

Energiebesparing is een onderdeel van het klimaatbeleid in Nederland en is opgenomen in het Energieakkoord. In het Activiteitenbesluit is opgenomen dat exploitanten van een inrichting verplicht zijn energiebesparende maatregelen te treffen. Dit staat in artikel 2.15 van het Activiteitenbesluit. In de Activiteitenregeling milieubeheer, de regeling gebaseerd op het Activiteitenbesluit, is in bijlage 10 de lijst met erkende maatregelen opgenomen. De verplichting om maatregelen ter besparing van energie te treffen, rust op de exploitanten van inrichtingen van het type A of B. Dat volgt uit artikel 2.14c van het Activiteitenbesluit.

Handhaving

In de Wet milieubeheer is bepaald dat het bevoegd gezag op basis van de Wabo, in dit geval het college van B&W, is belast met de handhaving en de controle van de (op de Wet milieubeheer gebaseerde) regels. Het college moet nagaan of een inrichting energiebesparende maatregelen heeft getroffen en kan daartegen handhavend optreden. Dat heeft nog niet vaak tot (gepubliceerde) uitspraken geleid. Vooral de vraag of sprake is van een inrichting, speelt een rol in de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 23 november jl. over de Beverwijkse Bazaar.

Beverwijkse Bazaar

De Bazaar in Beverwijk is een groot complex van gebouwen waarin verkopers een marktkraam, standplaats of zelfstandige winkelruimte kunnen huren. Aan de besloten vennootschap Beverwijkse Bazaar B.V. is in het verleden een milieuvergunning verleend.

Vanaf 1 januari 2013 valt de inrichting volledig onder de werking van het Activiteitenbesluit. In de voorheen geldende vergunning is als voorschrift opgenomen dat in de inrichting energiemaatregelen worden doorgevoerd met een terugverdientijd van de (meer)kosten van 5 jaar of minder.

Overtreding energiebesparingsverplichting

Het college van B&W van Beverwijk legt aan de Bazaar een last onder dwangsom op, omdat de verplichting van artikel 2.15 van het Activiteitenbesluit is geschonden. In beroep staat niet ter discussie dat artikel 2.15 van het Activiteitenbesluit is overtreden.

Geen overtreder

De Bazaar stelt dat zij niet kan worden aangemerkt als overtreder in de zin van artikel 5:1 van de Awb. De verkoper die een winkelunit huurt en daarvan uit handelsactiviteiten verricht, is volgens de Bazaar zelf verantwoordelijk. Ze is niet de drijver van die zelfstandige inrichtingen, en zij heeft het ook niet in haar macht om in te grijpen in de bedrijfsvoering van de exploitanten van die units. De Bazaar kan de overtredingen niet ongedaan maken.

Eén inrichting

De rechtbank vindt net als het college dat de Bazaar als één inrichting kan worden beschouwd ex artikel 1.1 lid 4 van de Wet milieubeheer. Als één inrichting wordt beschouwd de tot dezelfde instelling/onderneming behorende installaties, die onderling technische, organisatorische of functionele bindingen hebben en in elkaars onmiddellijke nabijheid liggen.

Bindingen

De rechtbank vindt dat alle drie bindingen aanwezig zijn in deze inrichting. De Bazaar is verhuurder, en heeft zeggenschap over de units. Zij bepaalt bijvoorbeeld de openingstijden van de Bazaar. Op grond van de huurovereenkomsten die de Bazaar sluit met verkopers, zou de Bazaar op grond van de daarop van toepassing verklaarde Algemene voorwaarden binnen de winkelunits zelf de vereiste (milieu)maatregelen kunnen treffen of kunnen afdwingen dat de huurders die (milieu)maatregelen treffen. Het verweer van de Bazaar dat dit lastig uitvoerbaar is, ook vanwege het grote aantal huurders, doet daar niet aan af.

Vorige vergunning

De rechtbank wijst erop dat de Bazaar pas nadat de last onder dwangsom is opgelegd, stelt dat geen sprake is van één inrichting. Ook in de oude revisievergunning is de Bazaar aangemerkt als één inrichting.

Enige drijver

Omdat de Bazaar volgens de rechtbank terecht is aangemerkt als drijver van de inrichting, worden de exploitanten van de units waarin blijkbaar de overtreding van artikel 2.15 van het Activiteitenbesluit heeft plaatsgevonden, niet aangemerkt als mede-drijvers. De last is terecht opgelegd aan de Bazaar, zo vindt de rechtbank.

Winkelcentrum is niet een inrichting

Het oordeel van de rechtbank is, als wordt gekeken naar een uitspraak van de Afdeling uit 2003 over een winkelcentrum, opmerkelijk. In die zaak is sprake van een bedrijfsgebouw met daarin verschillende voorzieningen, waaronder een parkeerterrein, verdeelkasten voor energie en gezamenlijke opslag van afval. In dat gebouw worden ruimtes verhuurd aan afzonderlijke exploitanten.

Reële zeggenschap

De Afdeling stelt in de uitspraak dat weliswaar sprake is van een zekere technische en functionele binding is, maar omdat de eigenaar geen reële zeggenschap heeft over de wijze van exploitatie van de afzonderlijke winkels, geen sprake is van één inrichting.

Verschil met winkelcentrum

De rechtbank heeft in de zaak rond de Bazaar op grond van de huurovereenkomsten die zijn gesloten gesteld dat sprake is van zeggenschap bij de Bazaar. Ook in het winkelcentrum zouden de units worden verhuurd, maar daar ontbreekt reële zeggenschap. In  hoeverre heeft een eigenaar als verhuurder reële zeggenschap over de exploitatie van een verhuurde winkelruimte en waarin verschilt deze uitspraak met die over het winkelcentrum? Dat is helaas niet bekend.

Handhaving en één inrichting

Het Activiteitenbesluit legt een energiebesparingsverplichting op. Handhaving op basis van die verplichting is mogelijk. Voor eigenaren van winkelcentra of bedrijfsverzamelgebouwen is het opletten of zij ook zeggenschap hebben over de wijze van exploitatie van verhuurde units. Uit de uitspraak van de rechtbank blijkt dat aangenomen kan worden dat sprake is van één inrichting, ook al is sprake van diverse units die worden verhuurd. In dat geval kan bij schending van artikel 2.15 van het Activiteitenbesluit de eigenaar worden aangemerkt als overtreder.

Plaats zelf een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Terug naar alle blogs