De (on)mogelijkheid van regres op naasten

Blog

VAST 2026 / P-006, Daniela Bates, artikel op VAST.nl

Artikel 7:962 BW geeft de schadeverzekeraar de mogelijkheid om, na uitkering aan de verzekerde, regres te nemen op de aansprakelijke derde. Deze bevoegdheid wordt in lid 3 echter beperkt door een regresverbod ten aanzien van een bepaalde kring van naasten van de verzekeringnemer: de regresblokkade. Die blokkade is niet absoluut: in bepaalde situaties kan de verzekeraar alsnog verhaal nemen op deze naasten, met name wanneer de verzekeringnemer zelf bij gelijksoortig handelen zijn recht op uitkering zou hebben verspeeld.

Centraal staat de vraag in dit artikel onder welke omstandigheden regres op naasten ondanks de regresblokkade toch mogelijk is. Allereerst wordt stilgestaan bij het algemene kader van subrogatie en regres (paragraaf 2), waarna wordt ingegaan op regres op naasten, de reikwijdte van de regresblokkade en de voorwaarden voor opheffing daarvan (paragraaf 3), gevolgd door praktische aanbevelingen voor de praktijk (paragraaf 4).

1. Het speelveld van subrogatie


1.1 Welke vorderingsrechten heeft de verzekeraar?

Is een derde voor de schade aansprakelijk, dan kan de schadeverzekeraar in de regel regres op die derde nemen. Op grond van artikel 7:962 lid 1 BW subrogeert de verzekeraar van rechtswege in de vorderingsrechten van zijn verzekerde op een aansprakelijke derde. Om überhaupt te kunnen subrogeren moet de verzekeraar de schade van de verzekerde wel hebben uitgekeerd. Een enkel voornemen daartoe is dus onvoldoende.[1] Daaronder wordt ook begrepen schade die uit coulance wordt uitgekeerd aan de verzekerde. Daarmee wordt voorkomen dat de aansprakelijke derde er belang bij zou kunnen hebben om de verschuldigdheid van de door de verzekeraar gedane uitkering te betwisten.[2]

Bij het nemen van regres heeft de verzekeraar in beginsel dezelfde mogelijkheden jegens deze derde aansprakelijke als de verzekerde zelf zou hebben. Met andere woorden: de vordering van de verzekerde gaat met alle lusten en lasten over op de verzekeraar. Tegelijkertijd kan de derde aansprakelijke dezelfde verweermiddelen gebruiken als hij tegen de verzekerde kan inbrengen. Denk hierbij aan een beroep op eigen schuld, het ontbreken van causaliteit of verjarings- en vervaltermijnen.[3]

In een enkel geval heeft de gesubrogeerde verzekeraar minder rechten die hij kan inroepen tegenover de derde aansprakelijke. Een voorbeeld hiervan is de billijkheidscorrectie van artikel 6:101 lid 1 BW. De 50%-regel werkt niet (volledig) door bij (regres)vorderingen van verzekeraars.[4] Ook kan gedacht worden aan de Bedrijfsregeling Brandregres of de Tijdelijke regeling verhaalsrechten.

De subrogatie van artikel 7:962 BW wordt bovendien begrensd door de nemo-plusregel: de verzekeraar kan door regres geen grotere aanspraak verkrijgen dan de verzekerde zelf op de aansprakelijke derde had. In regres ‘erft’ de verzekeraar dus de vordering met alle lusten en lasten, maar kan hij ook niet méér verhalen dan de naar algemeen schadevergoedingsrecht bepaalbare schade. Dat werkt met name door bij zaakschade/total loss: ook als de verzekeraar op grond van polisvoorwaarden bijvoorbeeld nieuwwaarde (of boekwaarde) uitkeert, kan hij op de aansprakelijke derde in beginsel (maximaal) slechts de dagwaarde/marktwaarde ten tijde van het verlies verhalen, omdat dát is wat de benadeelde zelf zou kunnen vorderen.[5]

1.2 Revindicatie niet mogelijk; eigendomsoverdracht
Van belang is dat de verzekeraar in beginsel geen revindicatie kan vorderen van een verloren zaak (bijvoorbeeld door diefstal of verduistering), tenzij de verzekerde het eigendomsrecht van de verloren zaak (door bijvoorbeeld diefstal en/of verduistering) bij een daartoe bestemde akte aan de verzekeraar overdraagt (ex artikel 3:95 BW).[6]

In de praktijk wordt de eigendomsoverdracht bij het verlies van een zaak in de polisvoorwaarden geregeld. Evenwel kan de verzekeraar een beroep doen op artikel 7:958 lid 3 BW, waarmee aan de verzekerde de keuze wordt voorgelegd op recht op terugbetaling van de vergoeding of op overdracht van de zaak.[7] Denk bijvoorbeeld aan diefstal van een auto. In motorrijtuigenverzekeringen is veelal voorzien in een verplichting van de verzekerde tot overdracht van het eigendom van de gestolen auto. Verzekerde zal echter zijn eigendomsrecht nog wel daadwerkelijk via een akte aan de verzekeraar moeten overdragen. De polisvoorwaarden en artikel 7:958 lid 3 BW zijn slechts een verbintenisrechtelijke verplichting tot overdracht.

2. Regres op naasten


2.1 Kring van naasten

Ingevolge artikel 7:962 lid 3 BW is in beginsel de mogelijkheid van verhaal op een naaste van de verzekeringnemer uitgesloten. Dit is de zogeheten regresblokkade. De ratio is dat de verzekering mede in het belang van deze personen.[8]

De naasten op wie de regresblokkade ziet, zijn personen met wie de verzekerde een duurzame relatie heeft voortvloeiend uit het familierecht, een arbeidsverhouding of een woonsituatie. Het uitoefenen van verhaal door de verzekeraar op deze kring van naasten kan ertoe leiden dat de relatie met de verzekeringnemer wordt verstoord of dat de verzekeringnemer, bijvoorbeeld bij echtgenoten, alsnog economisch wordt getroffen.[9] Dit vond de wetgever onwenselijk, waardoor de regresblokkade in het leven is geroepen.

Het toetsingsmoment om te beoordelen of een persoon tot deze kring van naasten behoort, is het tijdstip waarop de schadetoebrengende gebeurtenis zich heeft voortgedaan. [10] Een werknemer die na de schadetoebrengende gebeurtenis wordt ontslagen, doet de mogelijkheid van regres op deze persoon niet herleven. Ook al speelt het risico van verstoring van een duurzame relatie met de verzekeringnemer op dat moment geen rol meer.

In een arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden van 14 mei 2019 (ECLI:NL:GHARL:2019:4151) ging het om de vraag of de dader van een steekincident de levensgezel van de benadeelde (verzekeringnemer) was in de zin van artikel 7:962 lid 3 BW op het moment van het toebrengen van letsel. In deze uitspraak stond de vraag centraal of de dader van een steekincident op het moment van het toebrengen van het letsel als levensgezel van de verzekeringnemer in de zin van artikel 7:962 lid 3 BW kon worden aangemerkt. De dader en verzekeringnemer waren op het moment van het steekincident geen huisgenoten meer, maar zij hadden wel al 35 jaar een affectieve relatie met elkaar. Het hof oordeelde dat het feit dat partijen geen huisgenoten waren, maakte dat de dader niet onder de kring van naasten viel op wie een regresblokkade geldt. De wetgever heeft er, aldus het hof, immers bewust voor gekozen om de kring van naasten duidelijk te omlijnen en te beperken. Kortom, de (zorg)verzekeraar van de verzekeringnemer kon regres nemen op de dader. Huisgenoten die ieder zelfstandig een kamer in een huis huren, vallen niet onder de kring van naasten waarop het regresverbod geldt.[11] Denk hierbij aan huisgenoten in een studentenhuis.

2.2 Opheffing regresblokkade
Toch zijn er situaties denkbaar waarin regres ook op voornoemde kring van naasten wenselijk is. Op grond van de tweede zin van artikel 7:962 lid 3 BW herleeft namelijk de mogelijkheid van verhaal, indien de verzekerde zelf in de situatie waarin de in het derde lid genoemde persoon aansprakelijk is jegens de verzekerde, zijn recht op uitkering zou hebben verspeeld.

In de Memorie van Toelichting wordt de tweede zin van lid 3 als volgt toegelicht:[12]

‘De tweede zin heft de uitsluiting weer op indien hun aansprakelijkheid uit bijzondere
omstandigheden voortvloeit. Het criterium hiervoor is een vergelijking met de positie van de
verzekerde zelf: zou deze op grond van wet of overeenkomst zijn recht op uitkering door zo’n
omstandigheid geheel of ten dele hebben verspeeld, dan is in zoverre ook de subrogatie niet
uitgesloten.’

In de toelichting bij de eerste Nota van Wijziging wordt een toelichting met dezelfde strekking gegeven:[13]

In dit kader is het voor de uitzonderingsgrond dus van belang of de verzekeringnemer zijn recht
op uitkering had verspeeld indien hij zelf had gehandeld zoals de naaste heeft gehandeld. In de
parlementaire geschiedenis zijn als voorbeelden genoemd de situatie waarin schade is
veroorzaakt door opzet of roekeloosheid (ex artikel 7:952 BW).[14]

Als de regresblokkade met succes kan worden opgeheven, subrogeert de verzekeraar conform artikel 7:962 lid 1 BW in de vorderingsrechten van zijn verzekerde op de aansprakelijke naaste.

2.3 Enkele voorbeelden uit de praktijk

Regres op bloedverwanten in de rechte lijn
In de praktijk blijkt dat de regresblokkade van artikel 7:962 lid 3 BW regelmatig wordt doorbroken als het schadeveroorzakende gedrag ook onder een dekkingsuitsluiting valt. Dat speelde in de zaak van de rechtbank Midden-Nederland 12 maart 2014 (ECLI:NL:RBMNE:2014:904), later bevestigd door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden bij arrest van 23 oktober 2018 (ECLI:NL:GHARL:2018:9273). De zoon (18) reed zonder rijbewijs en zonder toestemming met de Jaguar van zijn vader en veroorzaakte een eenzijdig ongeval met schade aan de auto en een afrastering.

De zoon stelde dat regres was uitgesloten omdat hij een bloedverwant in rechte lijn is. De rechter en het hof oordeelden echter dat de uitzondering van artikel 7:962 lid 3 BW van toepassing was: in de polisvoorwaarden was dekking uitgesloten wanneer de feitelijke bestuurder niet over een geldig rijbewijs beschikte. De verzekeraar kon terecht, en met succes, regres nemen op zoon.

In een uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 19 maart 2025 (ECLI:NL:RBAMS:2025:1871) oordeelde de rechter ook dat de regresblokkade kon worden opgeheven, omdat de verzekeringnemer geen recht op uitkering had gehad als hij had gehandeld als zijn naaste op basis van de polisvoorwaarden.[15] De situatie was als volgt. De zoon van de verzekeringnemer reed in de auto van zijn vader. Daarbij tikte hij een snelheid aan van 185 kilometer per uur, waar een snelheid van 100 kilometer per uur was toegestaan. Daarbij reed hij achter op een andere auto, met veel schade als gevolg. Op basis van de polisvoorwaarden van vader (de verzekeringnemer) was schade als gevolg van opzet, grove schuld of roekeloosheid uitgesloten. Als vader had gehandeld zoals zoon had gedaan, had hij zijn uitkeringsrecht op de schade verspeeld. Dit maakte dat de verzekeraar met succes regres kon nemen op zoon. Kortom, opheffing van de regresblokkade kan zowel in de situatie dat de verzekeringnemer in de hypothetische situatie geen recht op uitkering had gehad op grond van de wet, als op grond van de polisvoorwaarden.

Regres op werknemers
Een tweede praktijkcategorie betreft verhaal op werknemers. In een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 10 april 2019 ( ECLI:NL:RBMNE:2019:6764) ging het om een beroepschauffeur die tijdens het werk met een melktankwagen een eenzijdig ongeval kreeg terwijl hij onder invloed van alcohol was. Voor subrogatie moest eerst vaststaan dat de werkgever zélf een vordering op de werknemer had. In arbeidsverhoudingen bepaalt artikel 7:661 BW dat aansprakelijkheid van de werknemer pas aan de orde is bij opzet of bewuste roekeloosheid; de kantonrechter herhaalt dat vereist is dat de werknemer zich ‘onmiddellijk voorafgaand’ aan het ongeval daadwerkelijk bewust was van het roekeloze karakter van zijn gedrag. Relevant voor artikel 7:962 lid 3 BW is bovendien dat bij een verzekeraar-werkgever-werknemer-driehoek subrogatie slechts ‘door de blokkade heen’ kan als de werknemer aansprakelijk is wegens een omstandigheid die ook de uitkering zou hebben geblokkeerd als die aan de werkgever was toe te rekenen.

In een uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 12 november 2025 (ECLI:NL:RBAMS:2025:8693) stond regres van de verzekeraar centraal in een situatie waarin de schade was veroorzaakt door een werknemer van de verzekerde. De bestuurder was een neef én werknemer van de verzekeringnemer (een recyclingbedrijf) en kreeg met de bedrijfsauto een eenzijdig ongeval.

De rechtbank stelt voorop dat artikel 7:962 lid 3 BW in beginsel verhindert dat een verzekeraar een gesubrogeerde vordering uitoefent op een werknemer van de verzekerde (regresblokkade), maar dat deze blokkade niet geldt indien de verzekerde zelf ‘zijn recht op uitkering zou hebben verspeeld’ als hij zich zo zou hebben gedragen. Vervolgens neemt de rechtbank als grondslag voor de onderliggende vordering van de werkgever op de werknemer (waarin de verzekeraar kan subrogeren) onrechtmatige daad aan: door het total loss rijden is inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van de werkgever. Van belang in deze zaak is dat de schade door de werknemer is veroorzaakt in privétijd. De (mogelijke) beperking van artikel 7:661 BW gaat in dat geval niet op.

3. Aanbevelingen voor de praktijk

Als een verzekeraar regres wenst te nemen op een naaste, zal hij eerst moeten beoordelen of er sprake is van een regresblokkade en of deze kan worden opgeheven. Daarbij zal eerst moeten worden beoordeeld wat de relatie is tussen de verzekeringnemer en de aansprakelijke derde partij op het tijdstip van de schade. Als sprake is van een familierelatie, arbeidsrelatie of samenwoonrelatie kan sprake zijn van een regresblokkade. Vervolgens zal beoordeeld moeten worden of de regresblokkade opgeheven kan worden. Nagegaan moet worden of de verzekeringnemer zijn uitkeringsrecht had verspeeld als hij gelijksoortig had gehandeld. Met andere woorden: zou de verzekeringnemer in de hypothetische situatie zijn recht op uitkering hebben verloren – op basis van de wet of polisvoorwaarden – als hij had gehandeld als de naaste? Als het antwoord bevestigend is, dan kan de regresblokkade worden opgeheven en subrogeert de verzekeraar in de vorderingsrechten van zijn verzekeringnemer ex artikel 7:962 lid 1 BW.

Mijns inziens is de regresblokkade een noodzakelijk en terecht beschermingsmechanisme: zij voorkomt dat een verzekeraar na uitkering de schade alsnog ‘teruglegt’ binnen de gezinssfeer of arbeidsrelatie, met het reële risico dat de verzekeringnemer indirect toch de rekening betaalt en verhoudingen onnodig worden beschadigd. Tegelijkertijd vind ik het minstens zo belangrijk dat de wet ruimte laat om die blokkade in uitzonderlijke gevallen op te heffen, juist wanneer de aansprakelijke derde zich ernstig verwijtbaar heeft gedragen (zoals bij opzet, roekeloosheid, fraude of vergelijkbaar normoverschrijdend handelen). Het zou naar mijn oordeel onwenselijk zijn iemand in dergelijke situaties door de regresblokkade feitelijk aan aansprakelijkheid ontsnapt, temeer omdat het dan gaat om schade die een verzekeraar – en uiteindelijk de premiebetaler – in de kern nooit heeft beoogd te dragen.

Noten

[1] Asser/Van Tiggele, Hartlief & Salomons 7-IX 2024/585.
[2] Asser/Van Tiggele, Hartlief & Salomons 7-IX 2024/583.
[3] Asser/Van Tiggele, Hartlief & Salomons 7-IX 2024/588.
[4] HR 11 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1133, RvdW 2025/880. Voor een uitvoerige bespreking van de doorwerking van voornoemd arrest, zie: ‘M. de Groot & M. de Rouwe, ‘Geen subrogatie in de billijkheidscorrectie van de verzekerde bij de 50%-regel’, VAST 2025 / N-011.
[5] P. van Zwieten & J.B. Wezeman, ‘Subrogatie’, in: M.L. Hendrikse, Ph.H.J.G. van Huizen & J.G.J. Rinkes (red.), Verzekeringsrecht (Recht en Praktijk), 6e dr., Deventer: Wolters Kluwer 2023, p. 705 854.
[6] Asser/Van Tiggele, Hartlief & Salomons 7-IX 2024/587.
[7] P. van Zwieten & J.B. Wezeman, ‘Subrogatie’, in: M.L. Hendrikse, Ph.H.J.G. van Huizen & J.G.J. Rinkes (red.), Verzekeringsrecht (Recht en Praktijk), 6e dr., Deventer: Wolters Kluwer 2023, p. 705 854.
[8] Idem.
[9] Asser/Van Tiggele, Hartlief & Salomons 7-IX 2024/595.
[10] HR 28 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3461, NJ 2015/194
[11] Kamerstukken II 1985/86, 19529, 3, p. 34 (MvT).
[12] Parl. Gesch. Boek 7, titel 17 BW, p. 202.
[13] Parl. Gesch. Boek 7, titel 17 BW, p. 203.
[14] Kamerstukken II 1985/86, 19529, 3, p. 34 (MvT).
[15] Rb. Amsterdam 19 maart 2025