Blogs

Bestemmingsplan “Wereld van de Efteling” voldoet nog niet aan de eisen

15/10/20 Bekijk reacties Verwachte leestijd: 27 minuten

De aangescherpte corona-maatregelen die afgelopen dinsdag bekend zijn gemaakt, hebben geen sluiting van de Efteling tot gevolg. Wel is er op 14 oktober jl. door de Afdeling  een uitspraak gewezen over het bestemmingsplan voor de uitbreiding van de Efteling. Deze uitbreiding gaat er (voorlopig) niet komen.

Bestemmingsplan Wereld van de Efteling 2030

De raad van de gemeente Loon op Zand heeft op 20 september 2018 het bestemmingsplan “Wereld van de Efteling 2030” vastgesteld. Het bestemmingsplan “Wereld van de Efteling 2030” zorgt ervoor dat de huidige planologische mogelijkheden van het park weer worden vastgelegd, maar daarnaast maakt het plan ook een uitbreiding mogelijk. De Efteling wordt in het plan uitgebreid in oostelijke en westelijke richting. Hier kunnen attracties worden gerealiseerd. Daarnaast wordt een nieuwe parkeervoorziening aan de westzijde aangelegd en wordt parkeren op afstand aan de oostzijde mogelijk gemaakt. Ook vindt er een uitbreiding van verblijfsrecreatieve voorzieningen plaats, een aanpassing van de golfbaan en aanpassingen van de infrastructuur in de vorm van onder meer een verlegging van de Horst en de aanleg van een nieuwe zuidelijke ontsluiting. Het attractiepark wil daarmee in 2030 door kunnen groeien naar zeven miljoen bezoekers per jaar. Omwonenden en een aantal omliggende bedrijven kwamen tegen het bestemmingsplan in beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

In deze uitspraak komen verschillende beroepsgronden aan de orde. Gelet op de lengte van de uitspraak is er niet voor gekozen is om alle beroepsgronden te bespreken. De navolgende gronden komen in deze nieuwsflash aan de orde.

  1. Begrenzing bestemmingsplan
  2. Geen recht op blijvend vrij uitzicht
  3. Afdeling 3:4 toepassen voor gewijzigd vaststellen bestemmingsplan?
  4. Alternatieven MER
  5. Voorwaardelijke verplichtingen
  6. Aanpassing begrenzing Natuur Netwerk Brabant (NNB)
  7. Ladder voor duurzame verstedelijking
  8. Verkeer (waaronder voorwaardelijke verplichting)
  9. Afstandsnormen VNG-brochure (categorie en vanaf waar meten)
  10. Akoestisch onderzoek
  11. Richtafstand spuitzone
  12. Ruime bouwmogelijkheden in omgeving woningen (25 meter hoog)
  13. Natuur (stikstofdepositie)
  14. Lichthinder

Maatstaf vaststellen bestemmingsplan

Zoals in elke uitspraak overweegt de Afdeling dat bij de vaststelling van een bestemmingsplan de Raad de bestemmingen moet aanwijzen en regels moet geven die de Raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het bestemmingsplan  in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de Raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

1. Begrenzing bestemmingsplan

Appellanten sub 1 wensen dat hun percelen worden meegenomen in het bestemmingsplan, Ten aanzien van de begrenzing van het bestemmingsplan en de vraag of de percelen van appellanten moeten worden meegenomen in het bestemmingsplan wereld van de Efteling stelt de Afdeling vast dat de Raad beleidsruimte toekomt bij het bepalen van de begrenzingen van een bestemmingsplan waarbij die ruimte niet zover strekt dat de Raad een begrenzing kan vaststellen die in strijd is met de goede ruimtelijke ordening.

Er is door appellanten niet onderbouwd dat sprake is van een zodanige ruimtelijke samenhang tussen de percelen dat deze ook in het plan hadden moeten worden opgenomen. Het betoog slaagt niet.

2. Geen recht op blijvend vrij uitzicht

Ook het argument dat de voorziene ontwikkelingen zullen leiden tot een beperking van uitzicht, landschappelijke waarde en schaduwvorming op hun perceel slaagt niet. De Raad heeft beleidsruimte bij de vaststelling van het bestemmingsplan waarbij de Raad wel gehouden is om daarbij betrokken belangen deugdelijk af te wegen.

De Raad heeft in dit geval een belangenafweging gemaakt tussen het belang bij het behoud van de huidige situatie en het gevrijwaard blijven van nadelige gevolgen aan de ene kant en het belang van de Efteling bij uitbreiding van het attractiepark aan de andere kant. De nadelige gevolgen zijn niet dusdanig dat de Raad het plan in zoverre niet had mogen vaststellen. Er bestaat bovendien geen recht op blijvend vrij uitzicht.

Bezwaren appellanten sub 2

De percelen van appellanten sub 2 zijn allen gelegen aan de Bernsehoeve en die percelen zullen in de voorziene situatie worden omsloten door de Efteling met inbegrip van de bijbehorende voorzieningen zoals verblijfsaccommodaties. Appellanten vrezen voor een verergering van de al bestaande verkeersoverlast, parkeeroverlast, geluid, licht en stofhinder en aantasting van hun privacy en uitzicht. Daarnaast vrezen zij nadelige gevolgen voor de bedrijfsvoering van hun bedrijven. Ook wordt betoogd dat de uitbreiding gevolgen heeft voor de beschermde natuurgebieden.

3. Afdeling 3:4 toepassen voor gewijzigd vaststellen bestemmingsplan?

Appellanten sub 2 betogen dat de Raad het bestemmingsplan gewijzigd heeft vastgesteld en in dat kader afdeling 3:4 van de Awb ten onrechte niet is toegepast. Als dit betoog zou slagen, moet het gewijzigde plan opnieuw worden voorbereid met de uitgebreide procedure die in afdeling 3:4 Awb staat opgenomen.

De Afdeling overweegt dat het bestuursorgaan een gewijzigd besluit in beginsel moet voorbereiden met toepassing van afdeling 3:4 van de Awb indien het oorspronkelijke besluit met toepassing van die afdeling is voorbereid. Daar was in dit geval sprake van. Een bestemmingsplan wordt tenslotte voorbereid met toepassing van afdeling 3:4 van de Awb.

Op het voorgaande zijn naar het oordeel van de Afdeling uitzonderingen mogelijk. De Raad kan na de vaststelling van het bestemmingsplan alsnog besluiten tot een aanpassing van het plan zonder dat afdeling 3:4 Awb opnieuw moet worden toegepast mits deze aanpassing naar aard en omvang niet zodanig groot is dat een wezenlijk ander plan wordt vastgesteld.

In dit geval maakt het plan in hoofdzaak nog steeds dezelfde uitbreiding van de Efteling mogelijk waardoor de Afdeling van oordeel is dat de uitzondering zich voordoet en dat Afdeling 3.4 van de Awb niet toegepast hoeft te worden op de voorbereiding van het (gewijzigde) besluit van 19 september 2019.

4. Alternatieven MER

Er wordt betoogd dat er alternatieven zijn voor het plan. De Afdeling overweegt dat er voor de locatie van de nieuwe functies geen redelijkerwijs in beschouwing te nemen alternatieven zijn die in het MER hadden moeten worden beschreven. Het alternatievenonderzoek in het MER mocht daarom beperkt blijven tot de verkeersalternatieven.

5. Voorwaardelijke verplichtingen

Voorts wordt aangevoerd dat er veel voorwaardelijke verplichtingen in het bestemmingsplan zijn opgenomen waardoor sprake is van een rechtsonzekere situatie. Het is correct dat er inderdaad diverse voorwaardelijke verplichtingen staan opgenomen. Deze verplichting geldt bijvoorbeeld voor parkeren, landschappelijke inpassing en het geluid.

De Afdeling overweegt dat het feit dat verschillende voorwaardelijke verplichtingen in een bestemmingsplan zijn opgenomen geen rechtsonzekere situatie oplevert. Zij overweegt dat de voorwaardelijke verplichtingen alleen gelden voor bepaalde bestemmingen of zien op zelfstandige onderwerpen zoals geluid of het maximum aantal bezoeken. Van een mogelijke doorkruising van verschillende voorwaardelijke verplichtingen is daarom geen sprake. Ook anderszins is van een rechtsonzekere situatie door het geheel aan voorwaardelijke verplichtingen niet gebleken.

De Afdeling stelt voorop dat conform vaste jurisprudentie een voorwaardelijke verplichting in de planregels voldoende duidelijk en handhaafbaar moet zijn. Of de diverse voorwaardelijke verplichtingen in het plan voldoen aan deze vereisten wordt door de Afdeling afzonderlijk beoordeeld.

6. Aanpassing begrenzing Natuur Netwerk Brabant (NNB)

Het plan voorziet deels in uitbreiding van de Efteling en die gronden waren voor het herbegrenzingsbesluit aangewezen als NNB. Er is voor gekozen om de begrenzing van het NNB aan te passen. Een besluit van het College tot wijziging van de begrenzing van de ecologische hoofdstructuur is op grond van de verordening een algemeen verbindend voorschrift.

Dit betekent dat de Afdeling de beroepsgronden bij wijze van exceptieve toetsing zal beoordelen en de vraag zal beantwoorden of het herbegrenzingsbesluit in strijd is met het voorschrift uit artikel 5.4 van de verordening.

In de toelichting bij het herbegrenzingsbesluit is vermeld dat de te vervallen locatie solitair gelegen gronden betreffen en dat de gronden worden afgescheiden door infrastructuur of door percelen zonder natuurfunctie. Ook is er een natuurcompensatieplan opgesteld en is er een uitgebreide motivering gegeven voor de toepassing van de saldobenadering. Er zal financieel gecompenseerd worden om vanuit ecologisch oogpunt op de meest waardevolle manier invulling te geven aan de saldobenadering.

De Afdeling is van oordeel dat het College zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat verwezenlijking van een natuurbrug tot een verbetering van de kwaliteit van de NNB als geheel leidt ten opzichte van de situatie dat de geïsoleerd gelegen percelen zouden blijven behoren tot de NNB. Het betoog slaagt dan ook niet.

7. Ladder voor duurzame verstedelijking

In artikel 3.1.6 tweede lid van Bro staat opgenomen dat als een bestemmingsplan een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt buiten bestaand stedelijk gebied een deugdelijke motivering wordt gegeven waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Appellanten betogen dat het plan in strijd met voornoemd artikel is vastgesteld.

Zoals de Afdeling eerder in de overzichtsuitspraak van 28 juni 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1724) heeft overwogen, dient als in een bestemmingsplan een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt, de toelichting een beschrijving te bevatten van de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling. Indien het bestemmingsplan een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, dient de toelichting, aanvullend op de beschrijving van de behoefte en het resultaat van het nodige overleg, een motivering te bevatten waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in de behoefte kan worden voorzien. Dit betekent dat bij een ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied een nadrukkelijke motivering nodig is waarom niet in het bestaand stedelijk gebied in de behoefte aan de nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt voorzien. Daarbij kunnen de beschikbaarheid en geschiktheid van de ontwikkelingsmogelijkheden in bestaand stedelijk gebied een rol spelen.

Vaststaat dat het attractiepark en een verblijfsaccommodatie van de Efteling bestaand stedelijk gebied vormen en vast staat ook dat de gronden waar het plan uitbreiding van het attractiepark en nieuwe verblijfsaccommodaties mogelijk maakt niet als zodanig kunnen worden aangemerkt. De Raad heeft ter onderbouwing aangevoerd dat de voorziene uitbreiding niet binnen het huidige attractiepark mogelijk is en dat ze willen vasthouden aan het maximale bebouwingspercentage van 11 % van het attractiepark.

De Afdeling is van oordeel dat er behoefte is aan de ontwikkeling in die zin dat geen sprake zal zijn van onaanvaardbare leegstand, Daarnaast overweegt de Afdeling dat gelet op de omstandigheid dat de Efteling een bestaand attractiepark is dat van oudsher op deze locatie is gevestigd en mede gezien de bezwaren tegen splitsing van de Efteling over twee locaties de Raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat niet elders op een andere locatie binnen het bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien in de behoefte aan nieuwe dag- en verblijfsrecreatieve voorzieningen.

Tegengeworpen wordt echter dat in de huidige situatie tenminste 89 % van het attractiepark niet is bebouwd waardoor de Afdeling een nadrukkelijke motivering van de Raad mist waarom niet in bestaand stedelijk gebied zou kunnen worden voorzien in de behoefte aan nieuwe stedelijke ontwikkeling. Het betoog slaagt op dit punt.

8. Verkeer

Het nieuwe westelijk parkeerterrein is aan de zuidkant alleen bereikbaar via de nieuwe toegangsweg vanaf de Eftelingsestraat. De bestaande verblijfsrecreatie ten oosten van de Dodenauweg is vanwege die afsluiting ook niet bereikbaar vanuit de Bernsehoef. Naar het oordeel van de Afdeling is het toereikend dat de afsluiting kan worden bewerkstelligd door een verkeersbesluit van het College van Burgemeester en Wethouders en hoeft het plan hiervoor geen voorwaardelijke verplichting te bevatten. De Afdeling acht geen onaanvaardbare verkeershinder of aantasting van de bereikbaarheid aanwezig. De Raad heeft echter erkend dat de beoogde wijze van ontsluiting van de westelijke verblijfsrecreatie via de toegangsweg en het westelijk parkeerterrein niet op de juiste wijze in het plan is vastgelegd waarbij een voorstel is gedaan om hiervoor een planregel toe te voegen. Hierdoor is het herstelbesluit in strijd met artikel 3:2 van de Awb genomen.

Onzekerheid over juiste aantal verkeersbewegingen

Voorts is het onzeker of de Raad bij de vaststelling van het plan van het juiste aantal verkeersbewegingen is uitgegaan waardoor het herstelbesluit ook op dat punt in strijd is met de zorgvuldigheid en daarmee in strijd is met artikel 3:2 van de Awb.

Voorwaardelijke verplichting verruiming rotondes in strijd met de rechtszekerheid

Daarnaast is aangevoerd dat het begrip bezoeken onzeker is. De Raad heeft daarbij alleen voor het aantal bezoeken aan het attractiepark een maximum in de planregels neergelegd. Voor het toelaten van meer dan 6,33 miljoen bezoeken per jaar stelt artikel 10 van de planregels als voorwaarde dat de capaciteit van de bestaande rotondes bij de aansluiting op de N261 ter hoogte van Loon op Zand moet zijn verruimd. Deze voorwaarde is naar het oordeel van de Afdeling in strijd met de rechtszekerheid omdat niet blijkt aan welke eisen de verruiming van de rotondes moet voldoen bijvoorbeeld wat betreft de capaciteit. Dit betoog slaagt dan ook.

Aantal parkeerplekken voorziet in parkeerbehoefte

Voorts overweegt de Afdeling zich tot de Raad in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat met 1,74 parkeerplaatsen per 1.000 bezoeken per jaar voldoende in de parkeerbehoefte van het attractiepark wordt voorzien. Dit beroepsgrond slaagt dan ook niet.

Uitvoerbaarheid aanleg parkeerplekken

Ten aanzien van de uitvoerbaarheid van de aanleg van het aantal parkeerplaatsen slaagt de beroepsgrond niet. De Afdeling ziet geen reden om aan te nemen dat er te weinig ruimte is om het vereist aantal parkeerplaatsen te realiseren. Dit geldt ook voor de handhaafbaarheid van de parkeernorm. Er is geen grond voor het oordeel dat de parkeernorm die is gekoppeld aan het jaarlijks aantal bezoeken niet handhaafbaar is. De Efteling moet namelijk realtime-informatie aan de gemeente geven over het aantal bezoeken en heeft toegezegd dat ze dit ook zal doen.

Afwijkingsvoorwaarde voor bijstellen parkeerbehoefte is in strijd met de rechtszekerheid

Ten aanzien van de afwijkingsvoorwaarden waarmee de Raad mogelijk heeft willen maken dat de parkeernorm in een concreet geval naar beneden kan worden bijgesteld indien blijkt dat met minder parkeerplaatsen in de parkeerbehoefte kan worden voorzien geldt dat in deze planregel nog inzichtelijk gemaakt moet worden onder welke omstandigheden van de afwijkingsbevoegdheid gebruik gemaakt kan worden bijvoorbeeld door de planregel te herformuleren en of toepassing te geven aan artikel 3.1.2 tweede lid onder a van het Bro. Dat betoog slaagt dus.

9. Afstandsnormen VNG-brochure (categorie)

In de VNG-brochure staan afstandsnormen opgenomen. Er wordt aangevoerd dat de Raad niet van de juiste categorie uit de VNG-brochure is uitgegaan.

Volgens de Raad is de Efteling mvergelijkbaar met de categorie “recreatiecentra vaste kermis” uit de VNG-brochure. De verblijfsrecreatie in het plangebied valt volgens de Raad echter onder categorie “kampeerterrein vakantiecentra ed. met keuken”. De Afdeling is van oordeel dat de Raad in redelijkheid bij de verschillende categorieën uit de VNG-brochure heeft kunnen aansluiten en niet voor het geheel hoeft uit te gaan van de categorie met de grootste richtafstand. Wel heeft de Raad ter zitting aangegeven dat het de bedoeling is dat de bestemming recreatie verblijfsrecreatie alleen ondersteunende dagrecreatieve voorzieningen ten behoeve van de verblijfsrecreatie toestaat terwijl echter het plan het mogelijk maakt dat dagrecreatieve en sportvoorzieningen worden toegestaan. Op dit punt is het besluit in strijd met artikel 3:2 van de Awb. De Afdeling draagt de Raad in het kader van de bestuurlijke lus op om de planregels voor de bestemming recreatie verblijfsrecreatie in overeenstemming te brengen met hetgeen wat bij de vaststelling van het plan is beoogd.

Afstanden VNG-brochure (vanaf waar meten)

Wel is van belang dat de afstand tussen het bestemmingsvlak en het bouwvlak voor de woning, het betreft dan het bestemmingsplan van de camperparkeerplaats een afstand van 22 meter geldt en anders dan de Raad aanvankelijk heeft aangenomen wordt dan ook niet voldaan aan de richtafstand van 30 meter uit de VNG-brochure.

Richtafstanden rustige woonwijk

Voor de bedrijven kwekerij voor alpine en bijzondere rotsplanten en een paardenhouderij en fokkerij is uitgegaan van de richtafstanden voor het omgevingstype rustige woonwijk.

Richtafstand kwekerij

Ten aanzien van de richtafstanden tussen deze bedrijven en de Efteling overweegt de Afdeling dat de richtafstanden in beginsel gelden tussen de grens van het bestemmingsvlak voor het bedrijf in de uiterste situering van in dit geval de verblijfsaccommodaties. Op grond van het plan mogen de verblijfsaccommodaties op de camperparkeerplaats tot aan de perceelsgrens gesitueerd worden. De Raad is ten onrechte uitgegaan van de afstand tot het bouwvlak op het perceel en hij had moeten uitgaan van een afstand tot de grens van het bestemmingsvlak ook omdat een kwekerij buiten het bouwvlak mag worden uitgeoefend. De afstand bedraagt ongeveer 7 meter zodat niet aan de richtafstand wordt voldaan. Dat betekent dat de verblijfsaccommodatie op de camperparkeerplaats een belemmering kan vormen voor de bedrijfsvoering van de kwekerij. De Raad heeft daar geen nader onderzoek naar gedaan en heeft dit aspect onvoldoende betrokken in de belangenafweging waardoor het plan op dit punt is vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

Richtafstand paardenhouderij

Ten aanzien van de paardenhouderij zou niet zijn voldaan aan de richtafstand van 50 meter. Ook hier moet worden uitgegaan van de grens van het bestemmingsvlak voor bedrijven in de uiterste situering in de verblijfsaccommodaties. Er is dan een afstand van 30 meter. Tot het bestemmingsvlak geldt een afstaand van 50 meter. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad niet voldoende onderbouwd dat de paardenhouderij alleen binnen het bestemmingsvlak mag worden uitgeoefend. Daarom is niet zeker of hier wordt voldaan aan de richtafstand van 50 m

De Raad heeft onvoldoende onderbouwd waarom de strook met de bestemming agrarisch met waarden, natuur en landschapswaarden niet ook bij het bestemmingsvlak voor het bedrijf behoort en de paardenhouderij ook daar mag worden uitgeoefend. De Raad heeft bij de voorbereiding van het plan niet nader onderzocht of dit tot belemmeringen voor de bedrijfsvoering en de uitbreidingsmogelijkheden voor het bedrijf leidt en heeft dit aspect onvoldoende betrokken in de belangenafweging. Ook dit betoog slaagt dus.

10. Akoestisch onderzoek

Voorafgaand aan het nemen van het herstelbesluit is aanvullend akoestisch onderzoek gedaan waarbij de Afdeling vaststelt dat het omgevingstype gemengd gebied -waar in casu van wordt uitgegaan- de richtwaarde van 65 dB(A) voor het maximale geluidniveau in de avondperiode wordt overschreden. De Raad heeft niet onderbouwd waarom dan toch sprake is van een akoestisch aanvaardbare situatie bij de woning op locatie 3.

Worst case scenario

Voorts is de Raad door uit te gaan van een camperparkeerplaats met maximaal 48 standplaatsen bij de vaststelling van het plan niet uitgegaan van een worst-case-situatie voor de invulling voor de bestemming recreatie verblijfsrecreatie.

De Afdeling acht gezien de oppervlakte van het perceel van ongeveer 8.000 m2 aannemelijk dat hier een groot aantal campers kan worden geplaatst. In de door de Raad overgelegde memo ontbreekt op dit punt een deugdelijke cijfermatige onderbouwing. De ter zitting gegeven motivering dat het parkeren van meer dan 48 campers niet mogelijk is vanuit veiligheidsoogpunt en daaraan verwante regelgeving is hiertoe niet toereikend. Bovendien acht de Afdeling het niet uitgesloten dat vanwege de ruime bouw- en gebruiksmogelijkheden voor het perceel nog een andere ontwikkeling dan een camperparkeerplaats wordt gerealiseerd. Zo voorziet het plan bijvoorbeeld eveneens in de bouw van een verblijfsaccommodatie met een grondoppervlakte van ongeveer 1.600 m2 en een bouwhoogte van 10 meter. De ruimtelijke gevolgen van een dergelijke ontwikkeling heeft de Raad niet in kaart gebracht. Dit betoog slaagt dus.

Gelet op het feit dat niet is uitgegaan van het worst-case scenario kon de Raad zich niet zondermeer baseren op de uitkomsten van de memo van 18 juli 2019. Op dit punt slaagt het beroepsgrond dan ook. De Afdeling vindt het akoestisch onderzoek voor de camperparkeerplaats dus niet toereikend waardoor de Raad onvoldoende heeft onderbouwd waardoor het niet nodig is om de voorwaardelijke verplichting geluid ook toe te kennen aan de camperparkeerplaats. Het herstelbesluit is op dit punt in strijd met artikel 3:46 van de Awb en de Raad dient alsnog te bezien of het noodzakelijk is om de voorwaardelijke verplichting geluid ook toe te kennen aan de camperparkeerplaats.

Voorts wordt in het effectrapport inlichtingslawaai uitgegaan van een geluidsbelasting met overdekte attracties. Er worden echter ook buitenattracties mogelijk gemaakt waardoor niet is uitgegaan van de maximale mogelijkheden van het plan en het geluidsonderzoek in zoverre niet toereikend is.

De Raad heeft hier nog tegen aangevoerd dat de planregels waarborgen dat in deelgebied B geen buitenattracties gerealiseerd worden wanneer die tot overschrijding van de geluidsgrenswaarde leiden. Dat kan echter niet tot een ander oordeel leiden alleen al niet omdat die grenswaarden uitsluitend gelden voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau en niet voor het maximale geluidsniveau terwijl het stemgeluid ook van betekenis kan zijn voor het maximale geluidsniveau. De Raad stelt voorts dat het stemgeluid buiten attracties ondergeschikt is, maar volgens het deskundigenverslag is dit niet onderzocht. Naar het oordeel van de Afdeling kon de Raad niet zonder nader onderzoek concluderen dat het stemgeluid buiten attracties vanwege de afstand tot de woningen ondergeschikt is en daarmee niet relevant is voor de geluidsbelasting. Het plan is op dit punt vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

11. Richtafstand spuitzone

Er wordt betoogd dat er voor de kwekerij een richtafstand voor een spuitzone moet worden aangehouden. Ten aanzien van de spuitzone overweegt de Afdeling dat bij dit type teelt machinaal spuiten niet voorkomt. Het ter plaatse geldende bestemmingsplan maakt het echter mogelijk dat op het perceel in de toekomst op minder dan 50 meter van de verblijfsaccommodaties een ander type agrarisch bedrijf wordt uitgeoefend waarbij wel een spuitzone moet worden aangehouden. De Raad is hierdoor ten onrechte niet uitgegaan van de maximale mogelijkheden van het geldende bestemmingsplan. Ook is niet onderbouwd dat sprake zou zijn van een uitzonderingssituatie. Het enkele feit dat geen concrete voornemens kenbaar zijn gemaakt voor wijziging van de teelt of beëindiging van het bedrijf is daarvoor niet voldoende. Een verschil met de zaken die de Raad naar voren heeft gebracht is dat in die situatie op grond van concrete gegevens zoals een recent vergunde en gerealiseerde bedrijfsuitbreiding juist van het tegendeel kon worden uitgegaan waarbij in dit geval een omzetting van de veehouderij naar gewassen teelt met bestrijdingsmiddelen een ingrijpender wijziging is dan omzetting van de huidige teelt van de rotsplantenkwekerij in een dergelijk bedrijf. De Raad heeft in zoverre de mogelijke belemmeringen voor de bedrijfsvoering en gebruiksmogelijkheden van het perceel onvoldoende onderzocht.

12. Ruime bouwmogelijkheden in omgeving woningen (25 meter hoog)

Er wordt aangevoerd dat er ruime bouwmogelijkheden zijn toegekend in het plan van wel 25 meter hoog waardoor het uitzicht vanuit de woningen in aanzienlijke mate zal worden veranderd en beperkt. De Raad heeft erop gewezen dat er ter plaatse een grondstrook met de voorwaardelijke verplichting landschappelijke inpassing aanwezig is die een groene voorziening beoogt. Naar het oordeel van de Afdeling neemt dit echter niet weg dat gelet op de ruime bouwmogelijkheden en de aard van de mogelijk gemaakte bebouwing niet aannemelijk is dat door de bedoelde voorwaardelijke verplichting de negatieve gevolgen van de ontwikkeling in voldoende mate kunnen worden weggenomen. Wel is de realisatie en instandhouding van de groene voorziening voldoende gewaarborgd op grond van de voorwaardelijke verplichting. De verwijzing in deze bepaling naar het beeldkwaliteitsplan voor de concrete invulling van de groene voorziening is aanvaardbaar en niet rechtsonzeker.

Er is dus onvoldoende aannemelijk gemaakt dat mede gezien de belangen van appellant sub 2 en anderen voldoende inzichtelijk is gemaakt waarom ter plaatse van de deelgebieden 8.2 en 8.3 is voorzien in dusdanig ruime bouwmogelijkheden. De Afdeling acht in dit kader van belang dat het plan overal ter plaatse van deze gronden de maximale bouwhoogte van 25 meter toelaat ongeacht de situering en afstand van die gronden ten opzichte van Bernsehoef. Zij betrekt daarbij voorts dat voor beide deelgebieden weliswaar een maximum bebouwingspercentage van 60 % geldt maar dat gebouwde parkeervoorzieningen hierbij niet meetellen. Dat betekent dat het plan niet uitsluit dat de deelgebieden 8.2 en 8.3 volledig kunnen worden bebouwd met gebouwen van 25 meter hoog. Het betoog slaagt.

13. Natuur(stikstofdepositie)

Voorts worden beroepsgronden aangevoerd over de gevolgen van een plan voor nabijgelegen Natura 2000-gebieden. De Afdeling zal –gelet op het relativiteitscriterium- alleen ingaan op de beroepsgronden over de gevolgen voor het Natura 2000-gebied “Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen”.

In dit kader overweegt de Afdeling dat de Raad alsnog sluitend zal moeten onderbouwen dat de stikstof depositie niet toeneemt dan wel significante negatieve effecten op dit natuurgebied ondanks een toename van de stikstof depositie toch uitgesloten zijn. Als dat niet mogelijk is zal alsnog aan de hand van een daarvoor geldende criteria moeten worden beoordeeld of de natuurlijke kenmerken van een Natura 2000-gebied “Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen” worden aangetast. In dat geval moet de Raad ook nagaan of de voorgenomen maatregelen als mitigerende maatregelen in de beoordeling kunnen worden betrokken.

14. Lichthinder

Er wordt aangevoerd dat sprake is van lichthinder. Ten aanzien van de lichthinder geldt dat hiervoor van belang is dat de kortste afstand tussen de woning aan de Bernsehoef en de gronden waar lichtmasten van 15 of 25 meter zijn toegestaan ongeveer 80 meter bedraagt. Voor de lichtmasten en de verlichtingsarmaturen die bij rechte in het plan zijn toegestaan kon de Raad daarom in redelijkheid afzien van nadere voorschriften over lichtinstralingen bij woningen, het typeverlichting, lichtsterkte en dergelijke.

Oordeel Afdeling (bestuurlijke lus)

De Afdeling ziet belang bij een spoedige beslechting van het geschil waardoor wordt opgedragen de in deze uitspraak geconstateerde gebreken in het herstelbesluit van 19 september 2019 binnen 26 weken te herstellen.

Slot

Gelet op het voorgaande is er nog het nodige werk aan de winkel als de Raad bij het standpunt blijft dat de uitbreiding van de Efteling moet worden toegestaan. Er zullen nog nadere onderzoeken moeten worden uitgevoerd en daarnaast moeten de planvoorschriften worden aangepast. Dit alles dient te gebeuren binnen 26 weken na verzending van deze uitspraak. Er is dus nog even geduld nodig.

Wilt u de uitspraak zelf nog lezen, klik dan hier.

Indien u vragen heeft over de (weerlegging van) beroepsgronden in het kader van een bestemmingsplanprocedure dan kunt u contact opnemen met één van onze specialisten.

Plaats zelf een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Terug naar alle blogs