Blogs

Een beroep op het recht van weg onder het oude recht

24/11/17 Bekijk reacties Verwachte leestijd: 5 minuten

Onder het oude recht was het bijna niet mogelijk dat er door verjaring een recht van erfdienstbaarheid van weg kon ontstaan. Tot 1 januari 1992 konden alleen voortdurende en zichtbare erfdienstbaarheden ontstaan door verjaring. Toch wordt er nog wel eens een beroep op het oude recht gedaan. Zo ook in de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 1 november 2017.

De casus

Eiser in deze procedure meent dat hij rechthebbende is van een recht van erfdienstbaarheid van weg. De situatie is als volgt. Eiser en gedaagde zijn buren van elkaar. Gedaagde is vanaf 15 januari 2008 eigenaar van zijn woning en eiser is vanaf 2 juli 2015 eigenaar van zijn woning. De woning van eiser heeft vanaf september/oktober 2008 tot de komst van eiser leeg gestaan in verband een ontruiming na een aangetroffen hennepkwekerij.

De woningen van partijen betreffen rijtjeshuizen in een blok van vier en zijn begin twintigste eeuw gebouwd.

Eiser kan vanaf de achterzijde van zijn woning niet de openbare weg bereiken. Eiser kan dat wel via de hoekwoning, oftewel: via de woning van de buren, omdat in 1974 op het perceel van eiser een nieuwe schuur is gebouwd. Eén van de twee deuren in deze schuur gaf toegang tot het perceel van gedaagde.

In 2010 heeft gedaagde het perceel aan de achterzijde van zijn woning afgesloten met een schutting en een poort.

Inzet geding

De inzet van het geding is erin gelegen dat eiser een verklaring voor recht vordert dat sprake is van een erfdienstbaarheid, welke ziet op het recht van weg om te komen en te gaan van en naar de openbare weg. In de aktes van levering wordt niet gesproken van een recht van erfdienstbaarheid. Er is dus in ieder geval geen erfdienstbaarheid gevestigd. Eiser stelt echter dat er als gevolg van verjaring sprake is van een erfdienstbaarheid van weg. Eiser baseert zich bij zijn vordering op het oude recht aangezien de woning van 2008 tot 2015 leeg heeft gestaan. Van bezit van een mogelijke erfdienstbaarheid was op dat moment in ieder geval niet mogelijk. Dat wil zeggen dat voor de voltooiing van de verjaringstermijn van twintig jaren is vereist dat het bezit is aangevangen voor september/oktober 1988.

Hoe zit het ook al weer?

Tot 1 januari 1992 was het bijna niet mogelijk dat door verjaring een erfdienstbaarheid van weg kon ontstaan. Verjaring was tot 1 januari 1992 alleen mogelijk wanneer sprake was van voortdurende en zichtbare erfdienstbaarheden. Dit zijn erfdienstbaarheden waarvoor geen menselijk handelen is vereist. Voor een erfdienstbaarheid van weg is altijd een menselijk handelen vereist, omdat een bepaald gebruik/handelen is vereist. Dat is anders in het geval het gaat om bijvoorbeeld het hebben van leidingen op andermans erf. Pas per 1 januari 1992 kan sprake zijn van bezit van een niet-voortdurende of niet-zichtbare erfdienstbaarheid. Dat wil zeggen dat op zijn vroegst op 1 januari 2012 – er geldt namelijk een verjaringstermijn van 20 jaren – bezit van een niet-voortdurende of niet-zichtbare erfdienstbaarheid door verjaring van de rechtsvordering tot beëindiging van het bezit kan zijn ontstaan.

Niet-voortdurende erfdienstbaarheid

De rechtbank oordeelt dat, zoals net ook al was vastgesteld, sprake is van een niet-voortdurende erfdienstbaarheid omdat voor het ontstaan van een recht van erfdienstbaarheid van weg door verjaring altijd een menselijke activiteit nodig is. De rechtbank oordeelt verder dat het denkbaar is dat een uitzondering moet worden aangenomen op de hoofdregel dat een erfdienstbaarheid van weg een niet-voortdurende erfdienstbaarheid is.

Hoofdregel houdt stand

Eiser is er echter niet in geslaagd om de rechter te overtuigen dat sprake is van een zichtbare en voortdurende erfdienstbaarheid. Eiser had aangevoerd dat het voortduren en de zichtbaarheid van de erfdienstbaarheid bleek uit het feit dat er in 1974 op het litigieuze perceel een schuur was gebouwd die direct toegang bood tot het perceel van de buren. Daarnaast zouden volgens eiser de buurtbewoners kunnen verklaren dat het pad van de buren als achterom werd gebruikt door de rechtsvoorgangers van eiser. De rechter achtte dit standpunt echter onvoldoende. Uit de verklaringen van de buren zou slechts blijken dat zeer incidenteel gebruik werd gemaakt van het pad. Aan de aanwezigheid van het schuurtje met directe toegang tot het perceel van de buren komt volgens de rechtbank dan ook geen doorslaggevende betekenis toe. Dat wil zeggen dat sprake is van een niet-voortdurende en niet-zichtbare erfdienstbaarheid. Het bezit daarvan heeft dus pas voor het eerst op 1 januari 1992 aanvang kunnen nemen, zodat het vorderingsrecht tot beëindiging van dat bezit pas voor het eerst op 1 januari 2012 heeft kunnen verjaren. Aangezien het bezit doorbroken is geweest (van 2008 tot 2015), is er in dit geval geen sprake van een recht van erfdienstbaarheid.

Conclusie

Een beroep op een erfdienstbaarheid van het recht van weg onder het oude recht is erg lastig. Dat blijkt ook maar weer uit de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 1 november 2017. Onder het oude recht werd de erfdienstbaarheid van weg gekwalificeerd als een niet-voortdurende erfdienstbaarheid. Om toch te kunnen betogen dat sprake is van een voortdurende en zichtbare erfdienstbaarheid, zijn daar zeer sterke argumenten voor nodig. Laat u zich daarom vooraf altijd goed informeren.

Mocht u vragen hebben over het recht van erfdienstbaarheid van weg, neemt u dan contact op met een van onze specialisten.

Plaats zelf een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Terug naar alle blogs