Antenne-installatie tóch vergunningplichtig: gemeente gehouden tot handhaving?

28/04/22 Bekijk reacties Verwachte leestijd: 6 minuten

In een recente uitspraak bij de rechtbank Midden-Nederland stond de vraag centraal of het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Huizen (hierna: “het college”) gehouden is om handhavend op te treden tegen de plaatsing van een antenne-installatie op een dak. Er is door de gemeente aan de eiser in deze zaak schriftelijk medegedeeld dat de antenne vergunningsvrij was, maar dit bleek later toch niet het geval, waarna het college bij besluit een dwangsom heeft opgelegd om de antenne te verwijderen en eiser in een procedure bij de rechtbank een beroep doet op het vertrouwensbeginsel.

Omgevingsvergunning voor het plaatsen van een antenne-installatie

Eiser woont in een appartementencomplex dat bestaat uit twee woonlagen en heeft een antenne-installatie op het dak van zijn woning geplaatst. Vervolgens heeft hij op 30 januari 2020 een omgevingsvergunning aangevraagd voor het plaatsen van deze antenne-installatie.

De vergunningverlener van de gemeente Huizen heeft aan eiser meegedeeld dat de antenne-installatie vergunningsvrij zou zijn als deze niet hoger dan 5 meter is. Dit is ook schriftelijk aan hem bevestigd. Omwonenden hebben echter twijfels bij het feit of de antenne wel vergunningsvrij mocht worden gerealiseerd en hebben het college verzocht om handhaving ten aanzien van de antenne-installatie. Zij schrijven dat zij (visuele) hinder van de antenne-installatie ervaren. Vervolgens is door een controleur van het college onderzoek gedaan naar aanleiding van het handhavingsverzoek, en is geconcludeerd dat voor (de bouw van) de antenne wel degelijk een vergunning was vereist. Om die reden heeft het college aan eiser een last onder dwangsom opgelegd om te antenne te verwijderen omdat de antenne-installatie in strijd met het Besluit omgevingsrecht (Bor) in het voorerfgebied is geplaatst en deze hoger dan 5 meter is.

Nadat het bezwaar van eiser is afgewezen, heeft hij beroep ingesteld bij de rechtbank.

Beginselplicht tot handhaving

De rechtbank beoordeelt allereerst of er sprake is van een overtreding, en dus of er in beginsel gehandhaafd dient te worden. Aangezien eiser ter zitting heeft erkend dat de antenne in het voorerfgebied staat, komt de rechtbank al snel tot de conclusie dat sprake is van een overtreding. Vervolgens overweegt de rechtbank dat uit de beginselplicht tot handhaving volgt dat een bestuursorgaan moet handhaven, tenzij er op grond van bijzondere omstandigheden van een bestuursorgaan mag worden gevergd dat zij dit niet doet. Dit kan zich voordoen, indien concreet zicht op legalisering bestaat. Ook kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

Vrijheid van meningsuiting?

Eiser doet in deze zaak allereerst een beroep op de vrijheid van meningsuiting (artikel 10 lid 1 EVRM). De rechtbank is van oordeel dat het besluit om handhavend op te treden geen schending oplevert van het recht van eiser op vrijheid van meningsuiting. De rechtbank kan de uitleg van het college volgen dat de redelijke eisen van welstand aan plaatsing van de antenne-installatie in de weg staan. Hiermee wordt het eiser niet onmogelijk gemaakt om van zijn recht op vrijheid van meningsuiting gebruik te maken. Hij kan immers gebruik maken van kleinere antennes of andere communicatiemiddelen. De rechtbank is het dan ook met het college eens dat het niet zo is dat eiser te allen tijde de bewuste antenne moet kunnen plaatsen.

Vertrouwensbeginsel

Daarnaast doet eiser een beroep op het vertrouwensbeginsel. Volgens rechtspraak van de Afdeling[1] moeten bij de beoordeling van een beroep op het vertrouwensbeginsel drie stappen worden doorlopen. De eerste is de juridische kwalificatie van de uitlating en/of gedraging waarop de betrokkene zich beroept. Kan die uitlating en/of gedraging worden gekwalificeerd als een toezegging? Bij de tweede stap moet de vraag worden beantwoord of die toezegging aan het bevoegde bestuursorgaan kan worden toegerekend. Indien beide vragen bevestigend worden beantwoord, en er dus een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel kan worden gedaan, volgt de derde stap. In het kader van die derde stap zal de vraag moeten worden beantwoord wat de betekenis van het gewekte vertrouwen is bij de uitoefening van de betreffende bevoegdheid.

Het vertrouwensbeginsel brengt niet met zich dat gerechtvaardigde verwachtingen altijd moeten worden gehonoreerd. Daartoe is vereist dat bij de afweging van de betrokken belangen, waarbij het belang van degene bij wie de gerechtvaardigde verwachtingen zijn gewekt zwaar weegt, geen zwaarder wegende belangen aan het honoreren van de verwachtingen in de weg staan. Kortgezegd, worden dus de belangen van de persoon die een beroep doet op het vertrouwensbeginsel gewogen tegen het algemeen belang of belang van derden.

Oordeel rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat in dit geval de belangen die liggen in de strijd met de wet- en regelgeving, het algemeen belang en de belangen van omwonenden zwaarder wegen dan het belang van eiser bij plaatsing van de antenne-installatie op het dak van zijn woning. De welstandscommissie vindt de antenne-installatie dissonant en noemt het een exces. De rechtbank ziet in wat eiser aanvoert geen reden om te twijfelen aan dit advies en gaat uit van de juistheid hiervan. Hoewel er dus wel vertrouwen is gewekt, is geen sprake van een bijzondere omstandigheid om van handhaving af te zien.

De rechtbank verklaart het beroep dan ook ongegrond. De antenne moet verwijderd worden.

Heeft u vragen over deze uitspraak dan wel over de vraag wanneer een beroep op het vertrouwensbeginsel kans van slagen heeft, neem dan contact op met één van onze specialisten overheidsrecht.

[1] AbRvs 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1694.