Blogs

Privaatrechtelijke afspraken afdwingbaar via de APV-vergunning?

29/01/15 Bekijk reacties Verwachte leestijd: 5 minuten

Kwalificeren privaatrechtelijke “afspraken” in een APV-vergunning zich als “voorschriften” als bedoeld in de APV? De Afdeling ziet zich in de uitspraak van 28 januari 2015 gesteld voor deze vraag, omdat vergunninghouder de “afspraken” niet nakomt en het College in deze “afspraken” de basis vindt om de vergunning in te trekken.

De casus

Vanaf 2001 exploiteert vergunninghouder een snackwagen in de gemeente Dronten. Op 14 december 2011 hebben het College van Burgemeester en Wethouders (hierna: “het College”) en vergunninghouder een aantal afspraken gemaakt. Deze afspraken houden onder andere in dat i) vergunninghouder de standplaatsvergoeding moet voldoen voorafgaande aan de maand waarover deze verschuldigd is en ii) dat de eerste keer dat hij niet aan de betalingsverplichting voldoet, alle afspraken vervallen en de standplaatsvergunning wordt ingetrokken.

In 2012 verleent het College de standplaatsvergunning. In deze vergunning staat onder het kopje “afspraken” vermeld dat de afspraken zoals beschreven in de brief van 14 december 2011, gelden. Onder het kopje “afspraken” is opgenomen dat met vergunninghouder is afgesproken dat de standplaatsvergoeding voor de eerste van iedere maand wordt voldaan en dat zodra vergunninghouder zich niet aan deze betalings­verplichting houdt, hij de standplaats in de maand daarop niet meer mag innemen en de standplaatsvergunning wordt ingetrokken.

Vergunninghouder betaalt over de maanden januari en februari 2013 de standplaatsvergoeding niet. Op 5 april 2013 heeft het College de verleende vergunning voor de standplaats dan ook ingetrokken.

Het geschil

Vergunninghouder is het niet eens met het besluit van het College en betoogt dat de brief van 14 december 2011 een privaatrechtelijke overeenkomst is en dat de afspraak over de betalingsverplichting daarom niet als vergunning­voorschrift kan worden aangemerkt.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en overweegt dat het College de standplaatsvergunning mag intrekken op grond van artikel 1:6, aanhef en onder c, van de Algemene plaatselijke verordening (hierna: APV). Dit artikel bepaalt dat de vergunning wordt ingetrokken of gewijzigd indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen.

Volgens de rechtbank moet de betalings­verplichting als een aan de vergunning verbonden voorschrift worden beschouwd. Volgens de rechtbank is niet van belang dat de betalingsverplichting onder het kopje “afspraken” en niet onder het kopje “voorschriften” staat vermeld.

Vergunninghouder gaat in hoger beroep tegen de uitspraak van de Rechtbank.

Overwegingen Afdeling

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: “Afdeling”) volgt de rechtbank niet. Volgens de Afdeling bevat de brief van 14 december 2011 afspraken over de betaling van de standplaatsvergoeding en het gebruik van de grond van de standplaats door vergunninghouder. De afspraken zijn door het College en vergunninghouder ondertekend en vormen derhalve een privaatrechtelijke overeenkomst tussen partijen. Het vermelden van deze afspraken over betalings­verplichting in de vergunning is aan te merken als een herinnering aan deze privaat­rechtelijke overeenkomst en niet als een aan de vergunning verbonden voorschrift.

Hiermee is in overeenstemming dat de afspraak over de betalingsverplichting niet is vermeld onder het kopje “voorschriften” maar onder het kopje “afspraken”. Dat het College vermeldt dat de vergunning wordt ingetrokken indien de betalingsverplichting niet wordt nagekomen, maakt dit niet anders, zo overweegt de Afdeling. Het College verwijst immers expliciet naar de in de brief van 14 december 2011 overeengekomen afspraken

Conclusie

Bij het uitgeven van een standplaats komt vaak een privaatrechtelijke overeenkomst tussen de gemeente en een exploitant tot stand en wordt een standplaatsvergunning door het College aan de exploitant verleend. De uitspraak van de Afdeling wijst uit dat als zowel sprake is van een overeenkomst én een vergunning, de gemeente en het betreffende bestuursorgaan goed het onderscheid moeten maken tussen de privaatrechtelijke afspraken en de aan de vergunning verbonden voorschriften.

Uit deze uitspraak van de Afdeling volgt dat nakoming van privaatrechtelijke afspraken niet via de APV-vergunning kan worden afgedwongen, omdat dit niet als APV-voorschriften kunnen gelden op basis waarvan de vergunning kan worden ingetrokken. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep tegen het besluit van het College alsnog gegrond. De Afdeling herroept het intrekkingsbesluit van 5 april 2013 en de standplaatsvergunning blijft derhalve van kracht.

Bent u geïnteresseerd in de volledige uitspraak, klik dan hier.

Heeft u vragen naar aanleiding van dit artikel, neem dan contact op met één van onze specialisten.

Plaats zelf een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Terug naar alle blogs