Blogs

Mag huurster worden ontruimd wegens aangetroffen wapens, munitie en geld van zoon?

12/08/19 Bekijk reacties Verwachte leestijd: 4 minuten

In artikel 7:219 van het Burgerlijk Wetboek is -kort gezegd- bepaald dat de huurder jegens de verhuurder aansprakelijk is voor gedragingen van diegenen die met zijn goedvinden gebruik maken van het gehuurde. De voorzieningenrechter van de Rechtbank Oost-Brabant heeft recent een interessante uitspraak over dit artikel gedaan.

Huurovereenkomst vanaf 1993

Het ging in die zaak om een huurster die al vanaf 1993 een woning huurde van een woningcoöperatie. Bij een inval op 18 april 2019 heeft de politie in de woning een geldbedrag van € 165.000,-, meerdere vuurwapens en munitie aangetroffen. Deze lagen in een open inbouwkast in een van de slaapkamers van de woning. Volgens de huurster wist zij hier niets vanaf, omdat zij van deze slaapkamer niet of nauwelijks gebruik maakte.

Spullen waren niet van huurster

De huurster heeft verklaard dat de aangetroffen spullen van haar zoon – die niet in het gehuurde woont, maar daar wel een sleutel van heeft – zijn. Haar zoon heeft dat bevestigd. Toch vindt de woningcoöperatie dat de huurster zich niet als een goed huurder heeft gedragen en daardoor in strijd heeft gehandeld met de huurovereenkomst. Op grond daarvan wordt door de woningcoöperatie in kort geding ontruiming van de huurwoning gevorderd.

Lijn van de Hoge Raad wordt niet gevolgd

De voorzieningenrechter overweegt dat de huurster op grond van artikel 7:219 BW aansprakelijk is voor de gedragingen van haar zoon en dat alleen al daarom de ontruiming moet worden toegewezen. Dit ongeacht of de huurster van die gedragingen op de hoogte was of daarmee ernstig rekening had moeten houden. De voorzieningenrechter onderkent dat dit niet in lijn is met de rechtspraak van de Hoge Raad op dit punt, maar de voorzieningenrechter acht dit op zijn plaats wanneer evident sprake is van ernstige, strafbare feiten.

Huurster wist of behoorde ervan te weten

De voorzieningenrechter overweegt toch ook maar dat als de lijn van de Hoge Raad wél onverkort zou worden gevolgd, dit ook tot ontruiming zou hebben geleid. Volgens de voorzieningenrechter is het niet geloofwaardig dat de huurster hier niets van afwist of had moeten weten. In dat kader wordt onder meer van belang geacht dat de spullen al vanaf 2017 in de woning zouden liggen, de zoon een strafblad had en de auto van de huurster voor haar woning in brand is gestoken.

Gevolg: ontruiming

De gevorderde ontruiming wordt dan ook toegewezen. De aanwezigheid van de spullen wordt aan de huurster toegerekend en levert een voldoende ernstige overtreding van de huurovereenkomst op dat de ontruiming in kort geding gerechtvaardigd wordt geacht.

Waar moet u op letten?

Deze uitspraak laat met name zien dat de lijn die de Hoge Raad vanaf 2007 volgt in het kader van artikel 7:219 BW, niet in elk geval wordt toegepast. Niet in ieder geval kan, zo volgt uit deze uitspraak, van de verhuurder worden verwacht dat hij aantoont dat de huurder wist of had moeten weten dat de gedragingen zich zouden kunnen voordoen. In dit geval werd aangenomen dat de huurster, gelet op de ernst van de gedragingen, dit wel wist of had moeten weten. De huurster had dan moeten aantonen dat haar geen verwijt kon worden gemaakt, maar daar is zij niet in geslaagd.

Heeft u vragen?

Als u vragen heeft over dit onderwerp of andere huurrecht- en vastgoed gerelateerde zaken, neemt u dan contact op met een van onze specialisten.

Plaats zelf een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Terug naar alle blogs