Handhaving & het vertrouwensbeginsel
Het komt niet vaak voor dat een persoon met succes een beroep doet op het vertrouwensbeginsel in een handhavingszaak. In de uitspraak van vandaag van de Afdeling over handhaving in Bergeijk, slaagt dit beroep.
Bergeijkse recreatiewoning
Op 21 januari 2026 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uitspraak gedaan over een handhavingskwestie in Bergeijk. Het college van B&W had aan een eigenaar een last onder dwangsom opgelegd om een recreatiewoning, overkapping en houthok te verwijderen. Volgens het bestemmingsplan was recreatief gebruik niet toegestaan en was er geen vergunning verleend voor de bouwwerken.
Brief 1996
Volgens de eigenaar heeft het college in 1996 het vertrouwen gewekt dat de recreatiewoning mocht blijven staan én recreatief gebruikt mocht worden. In een brief van het college van 22 november 1996 staat:
“(..) Gebleken is dat op Uw perceel een keet aanwezig is met afmetingen van ca 13,70 x 10,00 x 5,50 m (lxbxh). Omdat deze keet reeds gedurende lange tijd aanwezig is, valt deze onder het overgangsrecht en mag derhalve blijven staan. Ook het recreatieve gebruik daarvan mag worden voortgezet. Ander gebruik waardoor de kwalitatieve afwijking van het bestemmingsplan wordt vergroot, zoals bijvoorbeeld bewoning of bedrijfsmatige activiteiten, is niet toegestaan. Indien U voornemens bent de keet te verbouwen, is daarvoor een bouwvergunning nodig en verzoeken wij U vooraf met ons in overleg te treden”
Gewekt vertrouwen
De Afdeling vindt dat met deze brief inderdaad bij de eigenaar het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de recreatiewoning op het perceel mag blijven staan én recreatief mag worden gebruikt. Dit vertrouwen had het college moeten meewegen bij het besluit om handhavend op te treden.
Bewijslast
Volgens het college wijkt de bestaande recreatiewoning af van het gebouw wat in 1996 op het perceel stond. De Afdeling bepaalt dat met de foto’s en de verklaringen van de eigenaar aannemelijk is gemaakt dat de huidige recreatiewoning niet afwijkt van het gebouw dat er stond ten tijde van de brief. Het is dan aan het college om twijfel hierover te zaaien stelt de Afdeling.
Volgens de uitspraak is het college daarin niet geslaagd. De Afdeling stelt daarna dat met de brief wel het vertrouwen is gewekt, en dat dit gewekte vertrouwen ten onrechte niet is betrokken door het college en de rechtbank in de procedure.
Juridisch kader en verwijzingen
Vertrouwensbeginsel. De uitspraak bevestigt de lijn uit de standaarduitspraak van de Afdeling over het vertrouwensbeginsel (ECLI:NL:RVS:2019:194, de Amsterdamse Dakopbouw). Wie zich beroept op het vertrouwensbeginsel moet aannemelijk maken dat toezeggingen zijn gedaan door of namens het bestuursorgaan, waaruit redelijkerwijs kan en mag worden afgeleid dat een bepaalde bevoegdheid zou worden uitgeoefend.
Beginselplicht tot handhaving. De Afdeling verwijst naar de uitspraak uit 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:678, herformulering beginselplicht). Daarin is bepaald dat het bestuursorgaan in beginsel verplicht is handhavend op te treden tegen overtredingen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals een succesvol beroep op het vertrouwensbeginsel of het gelijkheidsbeginsel.
Tussenuitspraak
Het college moet binnen 10 weken opnieuw toereikend motiveren of en zo ja welke belangen zwaarder wegen dan de gewekte verwachtingen. Daarbij moet het college ook rekening houden met andere belangen, zoals het algemeen belang of belangen van derden.
Relevantie voor de praktijk
Deze uitspraak bevestigt opnieuw dat een zorgvuldige belangenafweging bij handhaving moet plaatsvinden. Dit geldt zeker wanneer is aangevoerd dat er gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt. Bestuursorganen moeten in de motivering van besluiten expliciet rekening houden met eventueel gewekte verwachtingen, in lijn met de uitspraken van de Afdeling daarover.
Heeft u vragen over deze uitspraak of wilt u advies over handhavingskwesties en het vertrouwensbeginsel? Neem contact op met onze sectie Omgevingsrecht.