Blogs

Vaarwel melkquotum. Fosfaatrechten in aantocht

15/10/15 Bekijk reacties Verwachte leestijd: 12 minuten

De Nederlandse melkveehouderij heeft de afgelopen jaren geanticipeerd op de afschaffing van het melkquotum per 1 april 2015, door de bouw van nieuwe melkveestallen. Dit heeft mede bijgedragen aan de groei van de fosfaatproductie uit dierlijke mest, waardoor het nationale fosfaatplafond in gevaar is gekomen. Vanaf 2014 zijn regels ingevoerd om de groei van de fosfaatproductie te beperken, waaronder de mestverwerkingsverplichting en de Melkveewet. Naar verwachting zullen vanaf 2016 ook regels voor grondgebonden groei en fosfaatrechten worden ingevoerd.

Achtergrond

Met ingang van 1 april 2015 is het Europese stelsel van melkquota afgeschaft. Dit stelsel vormde vanaf de jaren ’80 van de vorige eeuw een belangrijke begrenzing van de groei van de melkveehouderij. Indirect werd hiermee ook het aantal koeien en de geproduceerde dierlijke mest aan banden gelegd.

Nederland is op grond van de Nitraatrichtlijn van de Europese Unie uit 1991 verplicht maatregelen te treffen, waardoor waterverontreiniging als gevolg van stikstof en fosfaat uit onder meer dierlijke mest zo veel mogelijk wordt voorkomen en de kwaliteit van het bodem- en oppervlaktewater wordt verbeterd.

Omdat stikstof en fosfaat voor de landbouw belangrijke voedingstoffen zijn voor de groei van gewassen, probeert Nederland jaarlijks de zogeheten “Derogatiebeschikking” van de Europese Commissie te bemachtigen. Met deze derogatie is het voor Nederlandse boeren mogelijk meer stikstof uit dierlijke mest te gebruiken op de landbouwgronden. Hiermee profiteren de boeren niet alleen van meer voeding voor de gewassen, maar besparen zij bovendien extra kosten voor de afzet van de overtollige mest en de aanschaf van kunstmest als alternatieve voedingsstof.

De Commissie heeft in 2014 onder voorwaarden opnieuw derogatie aan Nederland verleend voor de periode tot 2018. Voor het behoud van deze derogatie heeft de Commissie onder meer als voorwaarde gesteld dat de totale fosfaatproductie door het vee in Nederland blijft onder het nationale fosfaatplafond van 172,9 miljoen kilogram fosfaat per jaar. Nederland is hierbij ook opgedragen om een substantieel deel van de mestproductie in de melkveehouderij door mestverwerking uit de sector te laten verdwijnen. De melkveehouderij heeft zichzelf overigens een fosfaatplafond opgelegd van 84,9 miljoen kilogram fosfaat.

De Nederlandse melkveehouderij heeft de afgelopen jaren geanticipeerd op de afschaffing van het melkquotum, door de bouw van nieuwe (grotere) melkveestallen. Dit heeft mede bijdragen aan de groei van de fosfaatproductie door de melkveehouderij, waardoor het nationale fosfaatplafond in gevaar is gekomen.

Mestverwerking

De stijgende fosfaatproductie heeft ertoe geleid, dat met ingang van 1 januari 2014 in Nederland een algemene mestverwerkingsverplichting geldt voor alle veehouderijen in Nederland die met hun vee fosfaat produceren. In beginsel geldt er een algeheel verbod om met vee fosfaat te produceren (art. 33a lid 1 Meststoffenwet). De belangrijkste uitzondering op dit productieverbod, is het voldoen aan de mestverwerkingsverplichting.

Mestverwerking is aan de orde, wanneer een veehouder met zijn vee méér fosfaat produceert dan hij binnen de grenzen van de gebruiksnormen op zijn landbouwgrond kan uitrijden. In dat geval is sprake van een “bedrijfsoverschot” en is de veehouder verplicht een bepaald percentage van dit bedrijfsoverschot te laten verwerken. De percentages worden jaarlijks door de Staatssecretaris vastgesteld en zijn voor 2015 bepaald op 50% Regio Zuid, 30% Regio Oost en 10% Regio Overig.

Op het productieverbod en de mestverwerkingsverplichting bestaan de volgende (belangrijkste) uitzonderingen:
– als er geen bedrijfsoverschot is;
– als het bedrijfsoverschot kleiner is dan 100 kg fosfaat per jaar;
– als het gehele bedrijfsoverschot op grond van een Regionale Mestafzet Overeenkomst (RMO) geheel en rechtstreeks wordt overgedragen aan een hoogstens 20 kilometer van het eigen bedrijf gevestigde landbouwer;
– wanneer meststoffen worden geproduceerd met dieren, waarvan minimaal 90% is gehuisvest in een leefruimte waarbij minimaal tweederde is ingestrooid met stro.

Bij mestverwerking wordt de mest zodanig verbrand of vergast, waardoor in het restproduct nog maximaal 10% organische stof achterblijft. Ook het exporteren van de mest wordt beschouwd als mestverwerking. Overigens kan de veehouder zijn verplichting tot mestverwerking ook “afkopen” door een Vervangende Verwerkingsovereenkomst (VVO) te sluiten met een andere landbouwer, zoals bijvoorbeeld een akkerbouwer. Deze akkerbouwer verplicht zich in dat geval ertoe extra mest te laten verwerken.

De mestverwerkingsverplichting geldt voor de varkens- en pluimveehouderij naast de bekende varkens- en pluimveerechten.

Melkveewet

Voor de melkveehouderij is per 1 januari 2015 een extra begrenzing van de groei ingevoerd met de “Melkveewet”. Ook hierin geldt als uitgangspunt een algeheel verbod om met melkvee fosfaat te produceren, tenzij wordt voldaan aan een van de uitzonderingen, zoals mestverwerking of het verwerven van extra grond (art. 21 Meststoffenwet). De essentie van deze wet is dat het voor melkveehouders verboden is te groeien in fosfaatproductie ten opzichte van het referentiejaar 2013.

In het voorjaar van 2015 heeft de Minister aan alle melkveehouders een zogeheten “Melkveefosfaatreferentie 2013” toegekend. In deze referentie 2013, die overigens openstaat voor bezwaar en beroep, wordt voor elke melkveehouder op basis van zijn forfaitaire melkveefosfaatproductie en fosfaatruimte op de landbouwgrond voor het jaar 2013, het toegestane fosfaatoverschot 2013 vastgesteld. Als het verschil tussen productie en fosfaatruimte in 2013 kleiner is dan nul, dan wordt de referentie vastgesteld op nul. Dit betekent dat extensieve bedrijven een referentie van nul hebben gekregen.

De toegekende Melkveefosfaatreferentie 2013 is overigens slechts zeer beperkt overdraagbaar. Overdracht is alleen mogelijk aan personen met wie een bloed- of aanverwantschap in de eerste, tweede of derde graad bestaat. Daarnaast gaat de referentie bij erfopvolging automatisch over op degene die het bedrijf verkrijgt.

Het is melkveehouders vanaf 2015 jaarlijks toegestaan het in de Melkveefosfaatreferentie 2013 vermelde fosfaatoverschot te produceren. Indien de melkveefosfaatproductie vanaf 2015 is gegroeid ten opzichte van deze Melkveefosfaatreferentie 2013, dan is de melkveehouder verplicht dit “Melkveefosfaatoverschot” voor 100% te laten verwerken, of te compenseren met extra grond of een combinatie van beide.

Ook de Melkveewet kent uitzonderingen op het productieverbod en op de verplichting tot mestverwerking:
– er is geen bedrijfsoverschot;
– het gehele bedrijfsoverschot wordt op grond van een Regionale Mestafzet Overeenkomst (RMO) geheel en rechtstreeks overgedragen aan een hoogstens 20 kilometer van het eigen bedrijf gevestigde landbouwer;
– de totale productie van melkveefosfaat is kleiner dan 250 kg fosfaat per jaar;
– er is geen melkveefosfaatoverschot (dit betekent dat er geen groei is ten opzichte van de melkveefosfaatreferentie 2013);
– wanneer meststoffen worden geproduceerd met dieren, waarvan minimaal 90% is gehuisvest in een leefruimte waarbij minimaal tweederde is ingestrooid met stro.

Vanaf 2016 grondgebonden groei melkveehouderij

Vanuit het streven om het grondgebonden karakter van de melkveehouderij te behouden en verder te versterken, worden er vanaf 1 januari 2016 grenzen gesteld aan de mogelijkheid om het Melkveefosfaatoverschot 100% te verwerken. Vanuit de sector bestaat de angst dat de melkveehouderij, net als de varkens- en pluimveesector, intensief zal worden en de koe zal verdwijnen uit de wei.

Indien de fosfaatproductie van een melkveebedrijf vanaf 2016 is gegroeid ten opzichte van het jaar 2014, en het fosfaatoverschot per hectare in het voorafgaande jaar tussen de 20 kg en 50 kg fosfaat bedraagt, dan is de melkveehouder verplicht 25% van het Melkveefosfaatoverschot te compenseren door extra grond in gebruik te nemen. De overige 75% mag worden verwerkt. Indien het fosfaatoverschot per hectare in het voorafgaande jaar groter is dan 50 kg fosfaat, mag de melkhouder slechts 50% van het Melkveefostaatoverschot laten verwerken en moet hij de overige 50% afdekken met extra grond. Een melkveehouder is vrijgesteld van de voorwaarde voor het verwerven van extra grond, indien vanaf 2016 het fosfaatoverschot per hectare in het voorafgaande jaar lager is dan 20 kg fosfaat.

Men berekent het fosfaatoverschot per hectare door de productie in het voorafgaande kalender jaar te verminderen met de fosfaatruimte in het voorafgaande jaar, en vervolgens de uitkomst te delen door het aantal hectaren tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond in het voorafgaande kalenderjaar.

Op dit moment is er zowel een Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) als ook een Wetsvoorstel aanhangig, die deze voorwaarden voor grondgebonden groei beogen te regelen. Indien het wetsvoorstel niet tijdig door de Eerste en Tweede Kamer wordt aanvaard, zal eerst per 1 januari 2016 de AMvB in werking treden.

De voorwaarden voor extra grond zullen vanaf 2016 niet gelden voor een bedrijf dat voor 1 februari 2016 kan aantonen, dat het voor 7 november 2014 (of voor 30 maart 2015, indien wetsvoorstel inwerking treedt) financiële verplichtingen is aangegaan om zijn fosfaatoverschot te laten verwerken én het bedrijf binnen drie maanden na afloop van elk kalenderjaar aantoont, dat het Melkveefosfaatoverschot is verwerkt door degene met wie de financiële verplichtingen zijn aangegaan.

Fosfaatrechten melkveehouderij

Omdat de melkveehouderij haar sectorplafond van 84,9 miljoen kilogram fosfaat over het jaar 2014 heeft overschreden en de piek in deze productiegroei nog niet is bereikt, heeft de staatssecretaris van Economische Zaken op 2 juli 2015 aangekondigd dat binnen de melkveehouderij een stelsel van fosfaatrechten zal worden geïntroduceerd. Op dit moment wordt een wetsvoorstel voorbereid, dat naar verwachting per 1 januari 2016 of in de loop van 2016 inwerking zal treden.

De essentie is dat voor elk melkveebedrijf de maximaal in een kalenderjaar te produceren hoeveelheid fosfaat wordt vastgesteld, uitgedrukt in fosfaatrechten. Het doel van het stelsel van fosfaatrechten is dat de melkveehouderij binnen het sectorplafond van 84,9 miljoen kg fosfaat blijft, nodig om het nationale fosfaatplafond te garanderen. Dit sectorplafond zal wettelijk worden verankerd.

De vraag hoeveel fosfaatrechten een melkveebedrijf zal verkrijgen, wordt vanaf 2016 beoordeeld naar de peildatum 2 juli 2015 (datum brief staatssecretaris), waarbij dan wordt gekeken naar het gemiddeld aantal gehouden stuks melkvee in het referentiejaar 2014 en de op de gemiddelde melkproductie per koe gebaseerde forfaitaire fosfaatexcretie zoals deze volgt uit de Meststoffenwet. Wijzigingen die tussen 2014 en 2 juli 2015 bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland zijn geregistreerd en die van invloed zijn, kunnen worden meegenomen in de bepaling van de toe te kennen fosfaatrechten. Hoe dit precies zal uitpakken, hangt af van de voorwaarden en reikwijdte van de knelgevallenregeling die is aangekondigd.

Fosfaatrechten zullen verhandelbare rechten zijn, maar voor zover nu bekend is zullen deze rechten niet uitwisselbaar zijn met varkens- en pluimveerechten. De anticiperende melkveehouders kunnen de aangeschafte varkensrechten bijvoorbeeld door leasing alsnog financieel benutten. Doordat wordt aangeknoopt bij het jaar 2014, is er inmiddels een oriënterende handel ontstaan in “potentiële fosfaatrechten” van bijvoorbeeld melkveebedrijven die in 2014 veel melkvee hadden en voornemens zijn het bedrijf af te bouwen. Het is echter nog de vraag wat de waarde van een fosfaatrecht zal zijn. Dit zal mede afhangen van de mate waarin de fosfaatrechten overdraagbaar en te verpanden zullen zijn en of een blokkaderecht kan worden uitgeoefend door de hypotheekhouder.

Omdat de aangekondigde fosfaatrechten zullen gaan fungeren als “slot op de deur”, wordt het voor melkveebedrijven steeds belangrijker om, binnen de toegekende fosfaatrechten, gericht te sturen op mineralenefficiëntie door middel van een bedrijfsspecifieke verantwoording door het gebruik van de Kringloopwijzer. Melkveehouders kunnen zo   ontwikkelruimte verdienen,  door onder meer het nemen van voermaatregelen, waardoor de werkelijke fosfaatexcretie lager zal zijn dan de wettelijke fosfaatexcretie. Een aandachtspunt bij het gebruik van de Kringloopwijzer is volgens de Staatssecretaris, dat de voorwaarden objectief bepaald en wetenschappelijk deugdelijk privaat geborgd dienen te zijn.

Het stelsel van fosfaatrechten zal ook een generieke afroomvoorziening bevatten, voor het geval dat het sectorplafond dreigt te worden overschreden. Dit kan betekenen dat de melkveebedrijven in Nederland uiteindelijk minder fosfaatrechten zullen krijgen, dan waar men in beginsel recht op heeft volgens het referentiejaar 2014 en de knelgevallenregeling. De staatssecretaris onderzoekt op dit moment de mogelijkheden van een afroming naar rato van de bijdrage van het betreffende melkveebedrijf aan de overschrijding van het sectorplafond. Het is afwachten hoe deze afromingsmogelijkheid wordt vorm gegeven in het wetsvoorstel.

Wilt u op de hoogte blijven van de ontwikkelingen op het gebied van mestwetgeving of heeft u hierover vragen, neem dan contact op met één van onze specialisten.

Plaats zelf een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Terug naar alle blogs